Main menu:
Diversen
inleiding :
Deze site is grotendeels geciteerd uit het boek van Graham Hancock (1992/1993)
HET TEKEN, HET ZEGEL EN DE WACHTERS. Het gaat over de zoektocht naar de Ark des Verbonds waarnaar al velen naar zochten.
I. DE LEGENDE, Ethiopië 1983
1. HET BEGIN: 1983
Volgens de Ethiopische overlevering bevindt de heilige Tabot, de oorspronkelijke Ark des Verbonds, zich in het bezit van de wachter.
Volgens deze wachter was de Ark in zijn bezit gekomen doordat de Ethiopische koningin van Sheba naar Jeruzalem was geweest en daar zwanger was geraakt van koning Salomo. Zij baarde in Ethiopië een zoon Menelik, die op twintigjarige leeftijd naar Israël reisde om het hof van zijn vader te bezoeken. De hovelingen drongen er bij Salomo op aan dat hij naar Ethiopië zou worden teruggestuurd. Salomo stemde daarin toe, op voorwaarde dat de oudste zonen van deze hovelingen met hem mee naar Ethiopië zouden reizen, In hun gezelschap was ook Azarius, de oudste zoon van Zadok, de hogepriester van Israël. Het was Azarius, niet Menelik, die de Ark des Verbonds uit de tempel van Jeruzalem heeft gestolen. Menelik kreeg pas onderweg over deze diefstal te horen, maar hij begreep dat Azarius en zijn vrienden nooit tot zo'n stoutmoedige daad in staat zouden zijn geweest zonder de hulp van God. Daarom stemde hij erin toe dat de Ark bij hen zou blijven. Zo kwam de Ark in Ethiopië terecht en zou daar sindsdien blijven.
De wachter van de ark was een zeer eervolle taak en op het sterfbed van de wachter benoemt deze diens opvolger. Zo iemand moet liefde voor God, zuiverheid van hart en reinheid van lichaam en geest bezitten.
Alleen de wachter mag de Ark zien. De Ark wordt slechts in één religieuze processie, de Timkatceremonie in januari, meegedragen. De wachter vertelde me dat de Ark in zware doeken wordt gewikkeld voordat zij in de processie mag worden meegedragen om de gelovigen ertegen te beschermen.
In oudtestamentische tijden werd de Ark des Verbonds aanbeden door de Israëlieten als de belichaming van God zelf - als het teken en het zegel van Zijn aanwezigheid op aarde, de burcht van Zijn kracht en het instrument van Zijn onfeilbare wil. De Ark, vervaardig om de stenen tafelen met de Tien geboden in te bewaren, was een houten kist van tweeënhalve el lang, anderhalve el breed en anderhalve el hoog. De kist was van binnen en van buiten met zuiver goud bedekt en werd bekroond door twee gevleugelde cherubijnen die elkaar over het zware gouden deksel aankeken.
Bijbelse en andere bronnen spreken over de Ark als een voorwerp dat een vlammend licht verspreidde, kwaadaardige tumoren en ernstige brandwonden veroorzaakte, bergen met de grond gelijk maakte, rivieren tegenhield, hele legers vernietigde en steden verwoestte. Salomo bouwde de Eerste Tempel als 'een huis der rust voor de Ark des Verbonds des Heren'. Er zijn sterke aanwijzingen dat de Ark allang verdwenen was toen Jeruzalem in 587 v.C. door de legers van Nebukadnezar in de as werd gelegd. In ieder geval bevond de Ark zich niet langer in de tweede tempel die in 538 v.C., na de terugkeer van de joden uit de Babylonische ballingschap, op de puinhopen van de eerste werd gebouwd. Ook is het niet waarschijnlijk dat de Ark door de Babyloniërs als oorlogsbuit is meegenomen.
In de Bijbel zijn geen aanwijzingen dat de Ark is meegenomen, vernietigd of verborgen. De Ark, die volgens bijbelse opvattingen het belangrijkste object ter wereld was, verdwijnt spoorloos uit het verhaal. Tot aan het bewind van koning Salomo (970-931 v.C.) zijn er meer dan tweehonderd verwijzingen naar de Ark. Daarna wordt de Ark nauwelijks meer genoemd.
In Aksoem staat het paleis van de koningin van Sheba, die volgens de Ethiopische traditie Makeda heette. Aksoem was haar hoofdstad.
Archeologisch onderzoek echter toont aan dat het paleis niet oud genoeg is om als residentie van de koningin van Sheba te dienen.
2. ONTGOOCHELING
In de oudheid hebben contacten tussen Ethiopië en Jeruzalem bestaan, wat het duidelijkst wordt geïllustreerd door de aanwezigheid van autochtone zwarte joden - de Falasja's - die in het Semien Gebergte ten zuiden van Axum en aan de kusten van het Tana Meer woonden.
In uiterlijk en kleding verschillen de Falasja's niet van de andere Abessijnse hooglanders. Ze spraken een inheemse taal, een dialect van het Agaw (de nationale taal is het Amhaars). Het enige opvallende aan de Falasja's is dat ze een ze een oude en aparte variant van het jodendom beoefenen.
De meeste historici gaan ervan uit dat een aantal joden in de eerste en tweede eeuw van onze jaartelling uit het zuidwesten van Rabië naar Abessinië was getrokken en daar een deel van de bevolking tot hun geloof had bekeerd. De Falasja's werden als afstammelingen van deze bekeerlingen beschouwd. Mogelijk kwamen de missionarissen uit Jemen.
De Falasja's zelf geloven dat ze van koning Salomo afstammen en van een bediende van de koningin van Sheba. De halfbroer van Menelik was de grondlegger van de Falasja-vorsten. Alle overige joden in het huidige Ethiopië worden door de Falasja's beschouwd als afstammelingen van de lijfwacht van de oudste zonen van de hovelingen van Israël die Menelik en de Ark des Verbonds naar Aksoem begeleiden.
Er is echter een probleem. Salomo stierf omstreeks 940 of 930 v.C., maar de stad Aksoem is pas in de derde of tweede eeuw v.C. gesticht, dus zo'n zeven- tot achthonderd jaar ná die zogenaamde diefstal van de Ark.
Ik kwam erachter dat er in veel Ethiopische heiligdommen Tabots werden bewaard, replica's van de Tabota Zion, de échte Ark des Verbonds.
Volgens Richard Pankhurst zijn de Ethiopische tabots veel kleiner dan de maten die in de bijbel worden genoemd.
In het Etnografisch Depot in Hackney, een onderdeel van het British Museum bevindt zich zo'n tabot. Erin bleken negen houten planken te liggen, geen van alle groter dan 45 bij 45 centimeter en meer dan tien centimeter dik.
Ze waren allemaal voorzien van inscripties in het Ge'ez, de oude liturgische taal van Ethiopië. Op enkele exemplaren waren ook kruisen en andere symbolen uitgesneden.
Deze pathetische plankjes moesten replica's zijn van het heilige voorwerp in de heiligdomkapel in Aksoem. Wat het voorwerp ook was, één ding stond vast: de Ark des Verbonds kon het niet zijn. Ik dacht dat hiermee aan het einde van mijn onderzoek gekomen te zijn. Ten onrechte.
II. DE HEILIGE ARK EN DE HEILIGE GRAAL, EUROPA, 1989
3. DE CODE VAN DE GRAAL
In 1989 kwam ik in aanraking met de 'Kebra Nagast', ofwel 'Glorie der Koningen', dat uit de dertiende eeuw dateerde en oorspronkelijk geschreven was in het Ge'ez. Deze tekst bevatte de oudst bewaarde versie van de legende over de koningin van Sheba, koning Salomo, hun zoon Menelik en de diefstal van de Ark des Verbonds uit de eerste tempel van Jeruzalem.
Tijdens mijn vakantie in 1989 bezocht ik de Franse stad Chartres, beroemd om haar Gotische kathedraal, die aan de Heilige Maria, de moeder van Christus, was gewijd.
De kathedraal was zorgvuldig en expliciet ontworpen als een sleutel tot onderliggende religieuze mysteries. Ook de beeldhouwers en glazenier hadden in opdracht van de geestelijkheid allerlei boodschappen in de duizenden ornamenten verwerkt: complexe, zorgvuldige verborgen observaties over de menselijke aard, het verleden en de profetische betekenis van de Schrift.
Aanvankelijk vond ik deze theorieën nogal vergezocht, maar na een aantal gespecialiseerde rondleidingen in de kathedraal gevolgd te hebben begon ik te beseffen dat dit enorme bouwwerk inderdaad een soort 'stenen boek' was dat op verschillende niveaus kon worden 'gelezen'.
In het zuidportaal van de kathedraal bevindt zich naast David met zijn harp, Salomo met zijn scepter, de koningin van Sheba met een bloem in haar linkerhand. Dit portaal stamde uit de dertiende eeuw, dezelfde tijd dat de Kebra Nagast in Ethiopië werd samengesteld. In de bijbel wordt de koningin van Sheba zowel bij haar komst als haar vertrek als heiden beschouwd. Slechts in de Kebra Nagast staat dat zij zich tot het jodendom bekeerde. Maar dat de bouwers van de kathedraal het verhaal van de Kebra Nagast kenden leek mij onwaarschijnlijk.
Later vernam ik dat zich nog een beeld van de koningin van Sheba in het noordportaal van de kathedraal bevond. Ook dit portaal was tussen 1200 en 1225 gebouwd.
Dit beeld van de koningin is levensgroot en is naast Salomo geplaatst.
Onder haar voeten zat een Afrikaan gehurkt, door sommige gidsen als een Ethiopische slaaf betiteld.
Maar als de bouwers van de kathedraal nu wel de Kebra Nagast kenden dringt gelijk een lastige vraag op: hoe en op welke manier kon dit Ethiopische verhaal al zo vroeg tot Frankrijk zijn doorgedrongen?
Op een zuil tussen de middelste en de rechternis was in miniatuurformaat een kist afgebeeld die op een ossenwagen werd vervoerd. Daaronder stonden in hoofdletters deze twee woorden: ARCHA CEDERIS
Bij diezelfde pilaar was nog een voorstelling, ernstig beschadigd en geërodeerd, waarop een man zich over dezelfde kist leek te buigen. Ook hieronder stond een inscriptie, die heel moeilijk te lezen was:
HIC AMICITUR ARCHA CEDERIS, of: HIC AMITTITUR ARCHA CEDERIS, of: HIC AMITITUR ARCHA CEDERIS, of: HIC AMIGITUR ARCHA CEDERIS
De tekst was oud, obscuur en onduidelijk. Ik begreep dat het Latijn moest zijn, of een vorm van Latijn. Ik zelf ken geen Latijn, maar ik vermoedde dat het woord "Archa" zoiets als 'Ark' betekende.
Volgens één van mijn gidsen betekende: ARCHA CEDERIS: 'U DIENT TE WERKEN DOOR MIDDEL VAN DE ARK.'
HIC AMITITUR ARCHA CEDERIS: 'HIER NEMEN DE DINGEN HUN LOOP; U DIENT TE WERKEN DOOR MIDDEL VAN DE ARK.'
Zelfs met mijn geringe kennis van het Latijn leken deze interpretaties me niet juist. Daarom besloot ik een deskundige te raadplegen, professor Peter Lasko, kunsthistoricus en voormalig directeur van het Courtauld Institute van de Universiteit van Londen.
Het was me opgevallen dat het tableau van de Ark zich precies halverwege Melchisedek, de oudtestamentische priester-koning wiens standbeeld de centrale nis domineerde, en het beeld van de koningin van Sheba, de belangrijkste figuur in de rechternis, bevond. De Ark op de kleine wagen bewoog zich bij Melchisedek vandaan, recht naar de koningin van Sheba toe. Opnieuw een aanwijzing dat de bouwers van de kathedraal de Kebra Nagast kenden.
Melchisedek heeft aan zijn rechterhand een wierookbrander en in zijn linkerhand hield hij een kelk of een beker met een lange steel. De kelk leek geen vloeistof te bevatten maar een soort cilinderachtig voorwerp.
Eén van mijn gidsen noemt het 'de Graalbeker, waar de Steen uit komt.'
Enigszins duister vervolgde de tekst:
'Mogelijk is er een verband met het gedicht van Wolfram van Eschenbach, die een Tempelier zou zijn geweest - hoewel dat niet bewezen is - en die de Graal als een Steen beschouwde'.
Van professor Lasko kreeg ik te horen dat Wolfram van Eschenbach een van de eerste middeleeuwse dichters was die zich bezighielden met de Heilige Graal. Zijn verhaal heette Parzival.
Lasko bevestigde me dat de vertalingen in mijn gids inderdaad nergens op sloegen. ARCHA betekende inderdaad 'ARK' maar CEDERIS was vermoedelijk een verbastering van foederis of 'Verbond'. De vertaling van ARCHA CEDERIS luidde dus simpel 'Ark des Verbond'. Een andere mogelijkheid was dat CEDERIS een vorm van het werkwoord cedere - 'prijsgeven', 'opgeven' of 'weggaan' - was. De vertaling zou dan zijn: 'De Ark die u zult prijsgeven'.
De lange tekst kon betekent: 'Hier liet men haar gaan, de Ark die u zult prijsgeven'; 'Hier liet men haar gaan; o Ark, u bent prijsgegeven', of 'Hier liet men haar gaan, de Ark des Verbonds'; 'Hier is de Ark des Verbonds verborgen' of 'Hier is de Ark verborgen die u zult prijsgeven/opgeven/wegzenden'.
De tekst bleef raadselachtig.
Weer thuis gekomen kocht ik een aantal versies van de Graallegende, waaronder de versies van Chrétien de Troyes, Sir Thomas Malory en natuurlijk Parzival van Wolfram von Eschenbach.
Bij Malory wordt het heilige voorwerp beschreven als een 'beker van goud' die door een 'volmaakt reine maagd' werd gedragen en 'een deel van het bloed van Onze Heer Jezus Christus' bevatte. Dit is het beeld dat we kennen: de Graal als een kelk of een schaal. In Wolframs Parzival wordt de Graal als een steen voorgesteld.
Het woord 'graal' bleek te zijn afgeleid van het oud-Franse gradale, dat zoveel betekent als 'een brede, enigszins uitgehold schaal waarin heerlijke gerechten worden opgediend.
Alleen bij Malory is er een connectie met het christendom. De christelijke wending was te danken aan de kloosterorde van de cisterciënzers, die op hun beurt weer sterk waren beïnvloed door één man: Bernardus van Clairvaux, die zich in 1112 bij de orde had aangesloten. Diezelfde Bernardus had ook een grote rol gespeeld in de evolutie en verbreiding van de gotische architectuur in de beginperiode. Vanaf dat moment wordt Wolframs steen vergeten en werd Chrétiens 'beker' gevuld met het bloed van Christus.
De Graal werd toen symbolisch geïdentificeerd met de Maagd Maria, aan wie ook de kathedraal van Chartres was gewijd. Maria werd in verschillende geschriften expliciet met de Ark des Verbonds vergeleken. Dit deed mij vermoeden dat de Ark des Verbonds en de Heilige Graal mogelijk één en hetzelfde object betrof.
Als de Duitse dichter zijn fictieve Graal gebruikt had als 'code' voor de bestaande, historische Ark, dan zou de zoektocht uit Parzival een cryptische schatkaart kunnen zijn die ons de weg wees naar de laatste verblijfplaats van de Ark zelf. Net als de Ark in het Oude Testament diende de Graal als orakel.
Sommige bijbelgeleerden gaan ervan uit dat de stenen tafelen in de Ark des Verbonds in werkelijkheid twee stukken van een meteoriet zijn geweest.
Beide voorwerpen straalden een bovennatuurlijk lichtschijnsel uit.
Zowel Mozes die van de berg Sinaï afdaalde met de twee stenen tafelen als Repanse de Schoye, die de Graal in een processie meedroeg, hadden stralende gezichten.
Ik vroeg me af of Menelik zelf het prototype van Parzival was en of Wolframs mysterieuze Terre Salvaesche - het land van de Graal en dus ook van de Ark - Ethiopië kon zijn.
4. DE SCHATKAART
De eerste aanwijzing in 'Parzival' vond ik al snel. Er was sprake van het verre land 'Zazamanc', waar de mensen 'donker waren als de nacht'. Naar dit land kwam een rondtrekkende Europese edelman, 'Gahrumet van Anjou', die verliefd werd op de koningin, 'Belacane'. Belacane deed me denken aan de koningin van Sheba, de Ethiopische Makeda en de islamitische Bilquis. De dichter legt er met nadruk op dat Gahrumet blank was en Belacane zwart.
Hun zoon was Feirefiz de Angevin. In Europa trouwde Gahrumet met een zekere Herzeloyde, bij wie hij Parzival verwekte.
In de Kebra Nagast zijn het de blanke Salomo en de donkere Makeda die het bed delen en is hun zoon de halfbloed Menelik.
De naam Feirefiz is vermoedelijk afgeleid van het Franse 'vrai fils' of 'ware zoon'. Feirefiz huwde met de Repanse de Schoye, de kuise en volmaakte Graaldraagster. In Parzeval is het de titelheld die de niet-bestaande Graal vond. Slechts een kleine, kritische lezerskring zou beseffen dat het Feirefiz, de 'ware' zoon, was die de weg wees naar de Ark.
Wolfram merkt op dat de zoon van Feirefiz en Repanse de Schoye 'Priester Johannes' werd genoemd.
De eerste Europeanen die in Ethiopië waren aangekomen spraken de vorsten van dat land aan als 'Priester Johannes'. Helaas wordt er geen rechtstreekse schakel gelegd met het land Terre Salvaesche.
In een ander middeleeuws Duits epos, Die Jüngerer Titurel, van Albrecht von Scharfenberg, wordt verteld dat de laatste rustplaats van de Graal het land van priester Johannes is.
Maar Wolfram verklaarde duidelijk dat priester Johannes in 'India' was geboren, een land dat blijkbaar door Feirefiz werd geregeerd en waarnaar hij en Repanse de Schoye waren teruggekeerd na afloop van de avonturen die in Parzival waren beschreven.
Hij noemde India ook Tribalibot. Feirefiz wordt zowel koning van Tribalibot als van Zazamanc genoemd. Nu was de vraag werd nu India of Ethiopië met die landen bedoeld?
De eerste keer dat de naam 'priester Johannes' in Europese documenten opdook was in de Kroniek van bisschop Otto van Freisingen in 1145. Hij kende een priesterkoning Johannes, die in het uiterste oosten woonde.
Andere documenten uit de twaalfde eeuw associeerden priester Johannes met India. Maar niemand had enig idee waar dit India zich precies bevond.
Ruim duizend jaar vóór de eerste vermelding van priester Johannes werden 'India' en 'Ethiopië' al met elkaar verwisseld. Rufinius, de vierde-eeuwse Byzantijnse theoloog noemde typisch Ethiopische dingen zoals Aksoem, Frumentius en koning Ezana, en toch sprak hij voortdurend over 'India'.
Maar wat was de schakel tussen Wolfram en de Franse beeldhouwers en Ethiopië? Welke ingewijden wisten waar de Ark des Verbonds gebleven was?
Ik stuitte op één groep Europeanen die hiervoor in aanmerking kwamen. Als onderdeel van het kruisvaardersleger waren zij in de twaalfde eeuw nadrukkelijk aanwezig geweest in Jeruzalem. De groep in kwestie hulde zich bovendien in grote geheimzinnigheid en maakte in haar verreikende internationale contacten regelmatig gebruik van codes en verborgen berichten. Ook was de groep betrokken geweest bij de verbreiding van de gotische bouwkunst in Europa (o.a. bij de kathedraal van Chartres).
Het betreft de 'Arme Ridders van Christus en de Tempel van Salomo': een militaire kloosterorde, beter bekend als de 'Tempelridders' of 'Tempeliers'. En gedurende een groot deel van de 12de eeuw hadden zij hun hoofdkwartier in Jeruzalem, op de plaats van de tempel van Salomo - de plaats vanwaar de Ark des Verbonds in de tijd van het Oude Testament zo onverklaarbaar was verdwenen.
5. BLANKE RIDDERS EN HET ZWARTE CONTINENT
Wolram vertelt in zijn Parzival dat hij gegevens had ontleend aan de mysterieuze Kyot. Maar wie was Kyot?
Kyot wordt in Parzival een 'Meester' genoemd, en Wolfram wekte de suggestie dat Frans zijn moedertaal zou zijn geweest. Sommige literaire commentatoren vereenzelvigen Kyot met de 12de-eeuwse dichter Guyot de Provins, die kort voor de verovering van Jeruzalem door de Saracenen een bedevaarttocht naar de stad had gemaakt. Ook was hij enige tijd verbonden geweest aan het hof van de Rooms-Duitse keizer Frederik Barbarossa.
Ik ontdekte dat Guyot/Kyot nauwe relaties met de Tempeliers onderhield, maar ook dat Wolfram in Parzival de wachters van de Graal als 'Tempeliers' aanduidt.
De orde der Tempeliers was gesticht door negen Franse edelen die in 1119 naar het Heilige Land waren getrokken, twintig jaar nadat Jeruzalem door de Europese legers was ingenomen en bezet. Hieronder bevonden zich Hugh de Payens en Godfrey de St. Omer. Eerstgenoemde, die trouwens een neef van de graaf van Champagne was, werd de eerste grootmeester van de orde. De negen mannen kwamen uit het graafschap Champagne (Chartres behoorde toen ook bij dit graafschap).
Een andere grondlegger, André de Montbard, die later de vijfde grootmeester zou worden, was een oom van Bernardus van Clairvaux.
In het graafschap ligt ook de stad Troyes, de woonplaats van Chrétien de Troyes, de 'geestelijke vader' van de Heilige Graal.
Toen de negen ridders in 1119 door koning Boudewijn I van Jeruzalem werden ontvangen stemde deze onmiddellijk in hun verzoek toe om hun hoofdkwartier te vestigen op de Tempelberg. Zeven jaar lang verlieten ze de plaats maar zelden en weigerden ze buitenstaanders categorisch de toegang. Officieel hadden ze laten weten dat ze naar het Heilige Land waren gekomen 'om de weg van de kust naar Jeruzalem van bandieten vrij te houden'.
Natuurlijk waren negen mannen daarvoor te weinig. Bovendien werden de pelgrims in het Heilige Land al beschermd door leden van een oudere en veel grotere militaire kloosterorde, de Johannieters of Hospitaalridders.
Daarom kon ik maar één ding concluderen: dat Hugh de Payens en zijn collega's een andere, verborgen bedoeling hebben gehad. Ik achtte het niet uitgesloten dat ze ergens naar op zoek waren geweest, vooral toen ik ontdekte dat ze uitgebreide opgravingen op het terrein van de Tempelberg hadden verricht.
Joodse legenden vertellen dat de Ark des Verbonds tijdens de verovering van Jeruzalem in 587 v.C. verborgen zou zijn in een geheime, afgesloten ruimte recht onder de tempel. De negen Tempelridders zullen gedacht hebben dat de Ark des Verbonds misschien nog ergens in de Tempelberg verborgen lag. Als dat zo was, zouden ze dan niet het plan hebben opgevat om het heilige voorwerp op te graven?
Er bestond geen heiliger of kostbaarder schat dan de Ark des Verbonds.
Zeker in een tijd die werd geobsedeerd door heilige relikwieën moet de Ark als de hoofdprijs zijn beschouwd.Na zeven jaar graven hadden ze iets gevonden, maar dat was niet de Ark. Toen de Tempeliers in 1119 in Jeruzalem aankwamen had Bernardus van Clairvaux al een belangrijke positie binnen de Franse geestelijkheid en vermoedelijk speelde hij een rol in hun missie.
Eind 1126 vertrok Hugh de Payens opeens uit Jeruzalem en keerde naar Europa terug in het gezelschap van André de Montbard, de oom van Bernardus van Clairvaux. In januari 1128 waren zij betrokken bij de Synode van Troyes, bijeengeroepen om officiële kerkelijke steun te verkrijgen voor de orde van de Tempeliers. Zij kregen daarbij de steun van de leider van deze synode,Bernardus van Clairvaux. De gevolgen van de volledige steun van de kerk waren spectaculair. Uit heel Frankrijk, en later uit alle delen van Europa, stroomden nieuwe leden toe. Rijke begunstigers schonken de orde land en geld, en de politieke macht van de Tempeliers groeide snel. Tegen het einde van de 12e eeuw waren de Tempelridders puissant rijk, leidden ze een goed georganiseerd netwerk van internationale bankiershuizen en hadden ze bezittingen in alle uithoeken van de bekende wereld.
Had de Heilige Bernardus uit zuiver altruïstische motieven gehandeld, of hadden de Tempeliers daar misschien iets tegenover gesteld?
De Tempeliers hadden niet de Ark des Verbonds ontdekt, maar stel dat ze bij hun opgravingen op de tempelberg wel waardevolle rollen, handschriften, theorieën of blauwdrukken van Salomo's tempel hadden gevonden? Stel dat hiertoe ook de verloren gegane bouwkundige principes van geometrie, proportie en harmonie behoorden die de bouwers van de piramiden en andere grote monumenten uit de oudheid bekend waren geweest? En stel dat de Tempeliers deze geheimen met Bernardus van Clairvaux hadden gedeeld in ruil voor zijn geestdriftige steun voor hun orde?
Dit is niet vergezocht want een van de curieuze eigenschappen van de Tempeliers was het feit dat ze geniale bouwmeesters waren. In 1139 kreeg de orde van de paus het recht om haar eigen kerken te bouwen. En van dat voorrecht maakten de Tempeliers op grote schaal gebruik. Prachtige kerken - vaak met een cirkelvormig grondplan, zoals de Temple Church in Londen - werden het handelsmerk van de Tempeliers.
Ook hun kastelen in Palestina waren bijzonder goed ontworpen en haast onneembaar.
Bernardus van Clairvaux had grote invloed op de gotische bouwkunst. Hij legde de nadruk op proporties, evenwicht en harmonie in de bouwkunst.
De gotische stijl van de kathedraal van Chartres was begonnen met de bouw van de noordelijke toren in 1134, dus slechts enkele jaren na de Synode van Troyes (1128). Dit bewijst de link tussen de Tempeliers en de gotiek. Maar hoe wisten de Tempeliers dat de Ark naar Ethiopië was gebracht?
Dit had mogelijk te maken met een verbannen Ethiopische prins, die een kwart eeuw in Jeruzalem woonde voordat hij in 1185 naar zijn geboorteland was teruggekeerd om zijn koninkrijk op te eisen.
Deze Ethiopische prins heette Lalibela. Hij was een halfbroer van koning Harbay (ca. 1160-1185) die hem om probeerde te brengen. Daarom vluchtte Lalibela naar het Heilige Land. In 1185 keerde hij in triomf naar zijn land terug, stootte Harbay van de troon, en riep zichzelf tot koning uit.
Hij vestigde zijn residentie in zijn geboortestad Roha, dat te zijner ere werd omgedoopt tot 'Lalibela'. Hij bouwde hier o.a. elf monolitische kerken - gebouwen die letterlijk uit massief vulkaangesteente werden gehouden. Lalibela's bewind vormde de bloeitijd van de Zagwe-dynastie.
De brief van paus Alexander III aan preister Johannes uit 1177 wordt als een authentiek document beschouwd (en was zoals ik nu wist, bestemd geweest voor Lalibela's halfbroer Harbay). De 'priester Johannes-brief' uit 1165 werd door historici met grote argwaan beschouwd. De datum klopte wel, maar de deskundigen twijfelden er sterk aan of de brief inderdaad was geschreven door iemand die aanspraak kon maken op de titel 'Priester Johannes'. Het leek eerder een gecompliceerde vervalsing.
De briefschrijver beschreef de vreemdste dieren en mensen die in zijn 'rijk' zouden voorkomen. En waar dat rijk zich precies moest bevinden werd ook nergens vermeld, afgezien van de terloopse verwijzing naar de 'vele India's', een verwijzing die eerder op Ethiopië sloeg dan op het huidige subcontinent India. Tussen al die bizarre schepsels kwamen ook 'olifanten', 'dromedarissen' en andere bestaande dieren voor, die bij mij de vraag opriepen of de schrijver van de brief misschien toch iets over Ethiopië wist. Dat vermoeden werd nog versterkt toen hij melding maakte van 'koning Alexander van Macedonië' in een context die verband hield met 'Gog en Magog'. Ik herinnerde me dat Alexander de Grote, Gog en Magog op dezelfde manier met elkaar in verband waren gebracht in een heel oud Ethiopisch handschrift, de Lefafa Sedek ('Band van rechtvaardigheid').
Een ander interssant punt was dat 'Priester Johannes' in zijn brief beweerde dat zijn christelijke koninkrijk vele joden telde - een semi-autonome groep waartegen vaak oorlog werd gevoerd. Ik kreeg eerder de indruk dat de brief vooral bedoeld was om indruk te maken op de Europese vorsten en hen angst aan te jagen. In dat verband moet ook gezien worden waarom er vaak verwezen werd naar de omvang van de strijdmacht van 'de Priester'. De brief waarschuwde tevens naar de 'verradelijke Tempeliers'.
Welke kandidaat voor de rol van 'Priester Johannes' kon in 1165 een motief hebben gehad om de Europese grootmachten schrik aan te jagen door op zijn eigen militaire kracht te pochen en de Tempelridders door het slijk te halen en op hun vernieling aan te dringen?
Het kan alleen Harbay zijn, de Zagwe-vorst die in 1165 over Ethiopië regeerde en aan wie paus Alexander III in 1177 zijn brief had gericht.
Alle Zagwe-vorsten hadden de Ethiopische term 'Jan' in hun lange rij titels opgenomen. Dit woord was afgeleid van Jano, een roodpaarse toga die alleen door koningen werd gedragen. Jan betekende 'koning' of 'majesteit' maar kon gemakkelijk worden verward met de naam Jan. Deze term was mogelijk de ware herkomst van de naam 'Priester Johannes'.
Harbay's broer Lalibela was in 1165 al vijf jaar in Jeruzalem en hij had vermoedelijk vrienden gemaakt onder de Tempeliers. Misschien had hij de ridders zelfs gevraagd hem te helpen Harbay van de troon te stoten. Harbay had lucht gekregen van de samenzwering en daarom deed hij een dringend beroep op de Franse koning om de 'verraderlijke Tempeliers' ter dood te laten brengen.
Uiteraard is dit slechts een theorie, maar er zijn in Parzival een aantal passages die op een samenzwering tussen de Tempeliers en Lalibela wijzen.
Een van de ridders van het Graalgenootschap sprak over een tocht 'diep in Afrika... voorbij de Rohas.'
De deskundigen hadden 'de Rohas' voorlopig geïdentificeerd met de Rohitscher Berg in Saangau Stiermarken, een provincie van Oostenrijk. Maar dat is een onzinnige verklaring die totaal niet paste bij de context, die immers over Afrika sprak. Roha was de oude naam van de stad in Ethiopië, die nu Lalibela heette.
Maar zijn er ook bewijzen dat Lalibela vergezeld was door een contingent Tempeliers toen hij in 1185 naar Ethiopië was teruggekeerd om Harbay van de troon te stoten?
In Lalibela bevinden zich op het plafond van de uit rotssteen gehouwen kerk van Beta Mariam verbleekte rode kruisen van het kruisvaarderstype. Het kruis had driehoekige armen die zich naar buiten toe verbreedden. Dit type werd croix pattée genoemd. Dit croix pattée was het officiële symbool van de Tempeliers. Daar de Tempeliers in verband met bouwkunst worden gebracht vroeg ik me af of de monolitische kerken van Lalibela door de Tempeliers waren gebouwd.
Deskundigen wisten niet hoe de kerken waren gebouwd of wie de architecten waren geweest. Daarvandaan dat de overlevering spreekt dat ze door 'engelen' gebouwd zijn.
De Portugese pater Francisco Alvarez vertelt in zijn boek 'The Prester John of the Indies' (1540) dat de kerken van Lalibela binnen 24 jaar werden voltooid en dat koning Lalibela de opdracht aan blanke mannen had gegeven.
De geschiedenisboeken noemen de eerste blanken die naar Ethiopië reisden de Portugese delegatie tussen 1520 en 1526. De blanke mannen-kerkbouwers van Lalibela kunnen eigenlijk slechts de Tempelridders zijn, die Lalibela in het Heilig Land had ontmoet.
6. EINDE AAN DE TWIJFEL
Was er behalve de vermoedelijke 'speurtocht; van de Tempeliers ook enig concreet bewijs dat de Ark des Verbonds zich inderdaad in het heiligdom van Aksoem bevond?
Alle Ethiopische hadden hun eigen tabots, maar sommige tabots werden aangeduid als een van de stenen tafelen uit de Ark.
De tabots die ik in Ethiopië gezien had waren allemaal platte blokken geweest - van hout of steen, maar zeker geen kist.
Betekende 'tabot' letterlijk 'Ark', of misschien 'stenen tafel' of iets geheel anders?
Het oude Ethiopische Ge'ez en het Amhaars behoren evenals het Hebreeuws tot de Semitische taalgroep.
De Ark des Verbonds werd in het bijbels Hebreeuws 'aron' genoemd. Er bestond wel een Hebreeuws woord, tebah, waarvan het Ethiopische 'tabot' volgens de deskundigen zou zijn afgeleid.
In het Oude testament komt dit woord slechts twee keer voor, in beide gevallen verwees het naar een soort boot, de ark van Noach en het biezen mandje waarin de moeder van Mozes haar kind de Nijl op had gestuurd om hem te behoeden voor de toorn van de farao.
In de Kebra Nagast werd in één passage de Ark des Verbonds omschreven als 'de buik van een schip.'
Veel deskundigen denken dat de koningin van Sheba uit het zuidwesten van Arabië kwam, omdat Ethiopië in Salomo's tijd (zo'n duizend jaar voor Christus) nog geen eigen beschaving kende en zeker geen stedelijke samenleving die zo'n illustere vorstin als de koningin van Sheba had kunnen voortbrengen. Algemeen werd aangenomen dat de eerste vorm van beschaving pas omstreeks de zesde eeuw v.C. tot de Abessijnse hooglanden was doorgedrongen en pas zo'n vierhonderd jaar later tot een werkelijke cultuur had geleid. De culturele ontwikkeling was vooral te danken aan Arabieren die zich in het noorden van Ethiopië hadden gevestigd. Deze zouden de religie, de maatschappelijke organisatie, kunst, architectuur en het schrift naar Ethiopië gebracht hebben.
Deze bewering had niet alleen betrekking op de algemene beschaving van de Ethiopische hooglanden, maar ook op de Falasja's. De Kebra Negast daarentegen stelde duidelijk dat het joodse geloof in 950 v.C. in Ethiopië was geïntroduceerd toen Menelik en zijn metgezellen met de Ark waren teruggekeerd. De aanwezigheid van autochtone zwarte joden in Ethiopië leek mij dus een belangrijke ondersteuning voor de legende over de Ark. De historici waren dat niet met mij eens. Zij gaan ervan uit dat het joodse geloof niet vóór de tweede eeuw van onze jaartelling in Ethiopië was geïntroduceerd - via de Rode Zee vanuit Jemen, waar in het jaar 70 inderdaad een grote joodse gemeenschap was gevestigd door emigranten die voor de Romeinse vervolgingen in Palestina waren gevlucht.
Tussen 70 en 550 zouden de voorouders van de Falasja's bekeerd worden door joden die via Zuid-Arabië naar Ethiopië waren gekomen.
Ik ontdekte echter dat de 'Jemenitische theorie' voornamelijk was ontstaan bij gebrek aan een aantoonbaar alternatief. Het was niet onmogelijk dat het joodse geloof via een andere route had bereikt, het was alleen niet bewezen. En aangezien wel bekend was dat er vanuit Zuid-Arabië enige immigratie had plaatsgevonden, had men daar de bron van het Ethiopische jodendom gezocht. Het ontbreken van bewijs is één ding, maar dat bewijst nog niet dat het tegendeel het geval is.
De evangelist Martin Flad uit de vorige eeuw ontdekte dat de Falasja's nog nooit gehoord hadden van de Babylonische talmoed en de talmoed van Jeruzalem. Hij beweerde dat er al sinds de tijd van de profeet Jeremia (omstreeks 624 v.C.) en mogelijk zelfs sinds de regering van koning Salomo joden in Ethiopië hadden gewoond. De Falasja's kenden de feesten van Poerim en de Wijding van de Tempel ('Hanukkah') niet. Hannukah wordt sinds 164
v.C. door de joden gevierd. Als de Falasja's vanuit Jemen bekeerd waren dan hadden ze dit feest zeker moeten kennen. Het Poerimfeest was zelfs nog ouder, en is mogelijk in de zesde eeuw v.C. ontstaan. Vijfhonderd jaar vóór Christus betekende slechts vierhonderd jaar ná Salomo. Het leek steeds waarschijnlijker dat het jodendom van de Falasja's al uit de oudtestamentische tijden dateerde, zoals de Kebra Nagast en de Falasja's zelf altijd hadden beweerd.
Een andere 19de-eeuwse zendeling, Henry Aaron Stern, vertelde dat de Falasja's dierenoffers brachten. Moderne joden deden dat echter niet, maar honderdvijftig jaar geleden was dit gebruik onder de Ethiopische joden nog springlevend. Na de verwoesting van de tweede tempel in het jaar 70 werden nergens meer offers gebracht door joodse gelovigen. De Falasja's vormden de enige uitzondering op die regel!
Tijdens koning Josia in de zevende eeuw voor Christus werd het offeren op plaatsen buiten de tempel verboden. Daarom lijkt mij het waarschijnlijk dat een groep joden tussen Salomo en Josia naar Ethiopië zijn getrokken, dus tussen de 10de en de 7de eeuw v.C. Maar wat was hiervoor de reden?
Volgens de Kebra Nagast was het het gevolg van Menelik, met in hun bezit de heilige Ark des Verbonds die ze uit de tempel in Jeruzalem hadden meegevoerd.
De Falasja's waren ooit een welvarend en machtig volk geweest, met hun eigen koningen.
Om hier meer over te weten raadpleegde ik het boek 'Travels to Discover the Source of the Nile in the Years 1768-1773 ('Reizen om de bron van de Nijl te ontdekken in de jaren 1768-1773') van de Schotse avonturier James Bruce van Kinnaird. Bruce maakte duidelijk dat ten tijde van koning Ezana, die zich tot het christendom zou bekeren (het begin van de vierde eeuw van onze jaartelling) het jodendom in Ethiopië een overheersende positie had.
Zowel de koning van de Falasja's als de christelijke koning van de Ethiopiërs beweerden van Salomo af te stammen. Beide volkeren leverden regelmatig strijd met elkaar. Van deze vele veldslagen is echter weinig terug te vinden in de geschiedenisboeken, met uitzondering van Kaleb, de christelijke koning van Aksoem, die in de zesde eeuw met een groot leger de Rode Zee overstak om strijd te leveren met een joodse monarch in Jemen. Was deze Arabische veldtocht een uitbreiding van de strijd tussen joden en christenen in Ethiopië zelf?
De Falasja's noemden zichzelf trouwens 'Beta Israël': het 'Huis van Israël'. Volgens de Kebra Nagast had Kaleb twee zonen, 'Israël' en 'Gebra Maskal'.
Deze twee zonen stelden respectievelijk de Falasja's en de christenen voor.
In dit verband komen ook de termen 'Strijdwagen' en 'Zion' herhaaldelijk voor. Zion is een aanduiding voor de Ark des Verbonds. De betekenis van de 'Strijdwagen' was me toen niet duidelijk, maar lijkt een soort 'troostprijs' voor de joden geweest te zijn.
De Falasja's legden zich echter niet zomaar neer bij hun ondergeschikte rol.
De negende-eeuwse reiziger Eldad Hadani, beter bekend als Eldad 'de Daniet' verklaarde dat de Danieten - en drie andere 'verloren; joodse stammen - in Ethiopië woonden, waar ze in voortdurend conflict leefden met de christelijke heersers van dat land. Eldad schreef dat de Abessijnse joden in de tijd van de Eerste Tempel uit het Heilige Land naar Ethiopië waren getrokken, kort na de scheiding tussen de koninkrijken van Juda en Israël (omstreeks 931 v.C.).
In de tiende eeuw waren de Falasja's zelfs aan de winnende hand, toen koningin Gudit in Ethiopië de macht overnam. In 1270 kwam de Salomonidische dynastie weer aan de macht en werden de Falasja's naar het tweede plan verwezen. Keizer Sarse Dengel (1563-1594) nam Falasja-koning Radai gevangen en liet hem doden. Keizer Susneyos (1607-1623) organiseerde een progrom tegen alle Falasja's de nog in het uitgestrekte hoogland tussen het tana Meer en Semien Gebergte woonden. Tijdens zijn bewind werden duizenden Falasja's gedood. Begin 1600 telden de Falasja's nog 'honderdduizend strijdbare mannen', dus vermoedelijk was de totale bevolking 500.000 personen groot. Drie eeuwen later waren er slechts nog 150.000 Falasja's.
In 1984/1985 telde Ethiopië slechts nog 28.000 Falasja's.
Het verval was begonnen in de 17de eeuw, na de veldtochten van Susneyos, die de tegenstand van de Ethiopische joden definitief had gebroken. Voor die tijd vormden de Falasja's een groot en machtig volk met een eigen koninkrijk.
7. EEN GEHEIME EN NOOIT EINDIGENDE ZOEKTOCHT
Vanaf de eerste tot de zesde eeuw behoorde het koninkrijk rondom de stad Aksoem in het noorden van Ethiopië tot de machtigste en welvarendste rijken van de toen bekende wereld. Het was gelijkwaardig met de Romeinse en Perzische vorsten en ging ongeveer gelijktijdig met het Romeinse rijk over naar het christendom als staatsgodsdienst.
In de zevende eeuw begon de ster van Aksoem te verbleken, mede door de opkomst van de agressieve islam, die het Abessijnse christendom geheel omsingelde. Ethiopië zou een geheel eigen cultuur ontwikkelen.
Op vrijdag 13 oktober 1307 werden alle Franse Tempeliers volkomen onverwachts gearresteerd in een goed gecoördineerde actie waarbij ook hun vele bezittingen door gerechtsdienaren van de Franse koning Filips IV in beslag werden genomen. Er werden die dag 15.000 man in de boeien geslagen.
Was dit de oorsprong van vrijdag de 13de als onheilsdag?
De Tempeliers werden ervan beschuldigd dat ze Christus loochenden en Zijn beeltenis bespuwden, dat ze elkaar onzedelijk kusten, dat ze zich aan homoseksuele praktijken overgaven en dat ze aan afgoden offerden.
In deze tijd, tot 1377, zetelde de paus in de Franse stad Avignon in de Provence. De paus had het Vaticaan verlaten en nu deze in Frankrijk zetelde kon Filips IV grote invloed op paus Clemens V uitoefenen. Filips was vastbesloten de Tempeliers uit te roeien, niet alleen in Frankrijk, maar in ieder ander land. Hij preste de paus zodat deze in 1312 de orde officieel verbood. Vele Tempeliers werden op de brandstapel gebracht, onder wie grootmeester Jacques de Molay en de preceptor van Normandië, Geoffroi de Charnay.
De Orde had nog geen 130 jaar bestaan. De bezittingen en het geld van de orde werden verdeeld onder de Europese vorstenhuizen, hun orde werd verboden en hun goede naam door het slijk gehaald.
Tegen het einde van Lalibela's bewind (1211) hadden de Tempeliers hun aandacht op de verovering van Egypte gericht. Het Arabische fort bij Damietta in de delta werd meer dan een jaar door de Tempeliers belegerd.
Lalibela zou gelijktijdig het water van de Nijl omleidden, zodat Egypte te weinig water voor de landbouw zou krijgen. Lalibela stierf echter voordat hij dit plan ten uitvoer kon brengen.Volgens de Ethiopische historicus Belai Gedai in Addis Abeba zou de Ark in de tiende eeuw door de priesters en het volk van Aksoem zijn weggehaald om haar te beschermen tegen de verwoestingen die koningin Gudit aanrichtte.
Volgens de overlevering is de Ark naar een eiland in het Zwai Meer, in de Riftvallei, ten zuiden van Addis Abeba gebracht. Volgens de traditie zou de Ark zich daar 70 jaar hebben bevonden. Daarna is ze weer naar Aksoem teruggebracht.
Hoewel de Zagwedynastie aanvankelijk joods waren hebben ze zich lang voor Lalibela's tijd tot het christendom bekeerd. Daarom was het heel goed mogelijk dat ze de ARk naar Aksoem hadden laten terugkeren, waar zij zich waarschijnlijk nog bevond toen Lalibela aan de macht kwam.
De Armeense geograaf Abu Salih uit de 13de eeuw vertelde dat het vervoer van de Ark bij bepaalde ceremoniële gelegenheden werd 'begeleid en gedragen' door dragers die 'blank en rood van huidskleur waren, met rood haar'.
Opnieuw was dit een aanwijzing dat er ten tijde van Lalibela mysterieuze blanke, mannen waren.
Als Abu Salih met deze mannen de Tempeliers bedoelden, hadden deze dan geprobeerd het heilige voorwerp uit Ethiopië te smokkelen en naar Europa te brengen? En zo ja, waren ze daar dan in geslaagd?
Van Richard Pankhurst vernam ik dat in 1306 een delegatie van dertig leden van Ethiopië naar Avignon in Zuid-Frankrijk reisden. Ik wist dat Avignon op dat moment de zetel van de paus Clemens V was. Dit was dezelfde paus die in 1307 bevel had gegeven tot de arrestatie van alle Tempeliers in de christelijke wereld, en nu vernam ik dat slechts één jaar daarvoor een Ethiopische delegatie in Avignon was aangekomen. Kon dat toeval zijn? Of was hier sprake van oorzaak en gevolg?
De reden van het bezoek is niet opgetekend.
De Tempeliers stonden op goede voet met de Zagwe-dynastie, maar deze werd in 1270 door de Salomoniden opgevolgd. Onder hun eerste vorst, Yekuno Amlak, werd de Kebra Nagast geschreven, dat zijn machtspositie legitimeerde. De eerste twee vorsten van deze dynastie hadden nog weinig macht, maar de derde keizer, Wedem Ara'ad, was wel een krachtig figuur.
De keizer stuurde een grote delegatie naar paus Clemens V in Avignon. Zou het niet mogelijk zijn dat deze delegatie problemen moest veroorzaken voor de Tempeliers, dat zij de paus en de Franse koning Filips IV misschien zelfs een dringend motief in handen moest geven om de orde te vernietigen?
Misschien werd er verteld dat de Tempeliers van plan waren de Ark des Verbonds naar Frankrijk te brengen. Met zo'n heilig en machtig voorwerp in hun bezit zouden de Tempeliers een sterke troef hebben tegenover de geestelijke en wereldse leiders van het land. Geen wonder dat deze leiders stappen wilden nemen om dat te voorkomen. Natuurlijk speelden wraakgedachten en hebzucht bij Filips IV ook een belangrijke rol.
De Tempeliers vormden een rijke en machtige internationale broederschap van religieuze ridders. Ondanks de grootscheepse vervolgingen en onderdrukking wisten sommige Tempelridders aan gevangenschap te ontkomen (evenals de hele vloot van de Tempeliers, die op de ochtend van de massale arrestaties uit de Atlantische haven la Rochelle verdween en nooit meer is teruggezien).
Alleen in Portugal en Schotland bleven de Tempeliers grotendeels buiten schot. De orde kon in deze landen - onder verscheidene dekmantels - blijven voortbestaan.
In het jaar van de veroordeling van de Tempeliers in 1307 streed Schotland tegen Engeland om haar onafhankelijkheid te behouden. De leider van deze strijd was Robert Bruce, die de Engelsen in de Slag bij Bannockburn in 1314 een verpletterende nederlaag toebracht. In deze strijd werd Bruce bijgestaan door een contingent Tempeliers. Op de Britse eilanden bleef de orde ondergronds bestaan en kwam terug onder de naam vrijmetselarij. De oudste Schotse loge (Kilwinning) zou zijn gesticht door koning Robert Bruce na de Slag bij Bannockburn 'voor de ontvangst van Tempelridders die uit Frankrijk waren gevlucht'.
Andrew Ramsay en baron Carl von Hund, respectievelijk een Schotse en een Duitse vrijmetselaar bevestigen dat de vrijmetselarij voortkwam uit de orde van Tempelridders. Deze uitspraken werden pas in de 18de eeuw gedaan. Dat was namelijk de tijd waarin de vrijmetselaars 'uit de kast kwamen' en over zichzelf en hun historie begonnen te spreken.
In Portugal werd de Tempelorde in 1312 officieel ontbonden, maar zes jaar later kwamen ze daar terug onder een nieuwe naam: de Militia van Jezus Christus (ook bekend als de Ridders van Christus of de Christusorde). In 1319 kreeg deze orde de officiële goedkeuring van paus Johannes XXII, die Clemens V was opgevolgd.
Het was opvallend dat bijna alle bekende bezoekers aan Ethiopië Portugezen zijn geweest. De Portugezen toonden al binnen een eeuw na de vernietiging van de Tempeliers grote belangstelling voor het rijk van 'Priester Johannes'.
De eerste en meest actieve figuur die hier een rol in speelde was prins Hendrik de Zeevaarder, grootmeester van de Christusorde. Prins Hendrik wilde Ethiopië bereiken door rondom Afrika te varen, maar ook informatie inwinnen over de Westafrikaanse kust om te zien of er een snellere route over land naar Ethiopië mogelijk was.
Prins Hendrik stierf in 1460. In hetzelfde jaar werd een waardige opvolger geboren in Sines, een zeehaven in het zuiden van Portugal, namelijk Vasco da Gama, ook een ridder van de Christusorde, die in 1497 de Kaaproute naar India zou ontdekken. Zijn zoon Don Christoforo da Gama, ook een ridder van de Christusorde, leidde een Portugees contingent om de Ethiopische koning bij te staan in diens strijd tegen de islamitische generaal, Ahmed Ibn Ibrahim el Ghazi, beter bekend als 'Gragn' ('de linkshandige'). Gragn bedreigde vanaf 1528 Ethiopië en pas in 1541 zouden de Portugezen Gragn verslaan. In 1542 werd Don Christoforo door Gragn gevangengenomen.
Gragn zo zelf een jaar later worden doodgeschoten.
Een eeuw later zou keizer Fasilidas alle Portugese kolonisten het land uitzetten. Een Schotse reiziger, Jamses Bruce van Kinnaird, ging in 1768 naar Caïro.
De reden die hij voor zijn reis aangeeft was om de bron van de Nijl te ontdekken. Maar James Bruce wist al lang voordat hij aan zijn reis begin dat de bron van de Blauwe Nijl al was ontdekt en uitvoerig verkend door twee andere Europeanen: Pedro Paez en Jeronimo Lobo, twee Portugese priesters die in de 17de eeuw in Ethiopië hadden gewoond voordat Fasilidas alle Portugezen het land uitzette.
Het lijkt veel waarschijnlijker dat Bruce Aksoem bezocht vanwege de Ark. Hij was namelijk aanwezig in Aksoem op 18 en 19 januari 1770, dus tijdens het Timkat-feest, de enige gelegenheid dat de Ark naar buiten gedragen wordt!
Ik ontdekte bij navraag dat James Bruce uit Ethiopië veel kostbare handschriften naar Europa had meegenomen. Bijvoorbeeld het boek Henoch. En uit het keizerlijke depot in Godat heeft hij een oud exemplaar van de Kebra Nagast gestolen. Pas veel later schonk hij de handschriften aan de Bodleian Library in Oxford, waar ze zich nog steeds onder de naam 'Bruce 93' en 'Bruce 97' bevinden.
Tot aan de achttiende eeuw waren in Europa van het boek Henoch slechts fragmenten bekend. James Bruce bracht daar verandering in toen hij in Ethiopië de complete versie aantrof.
Het boek Henoch bleek van groot belang te zijn geweest voor de vrijmetselarij. Henoch werd geïdentificeerd met Thot, de Egyptische god van de wijsheid. Henoch werd gezien als de uitvinder van het schrift en de architectuur.
Daar Bruce belangstelling had voor deze boeken, maar nergens rept over de Ark des Verbonds, beter gezegd dat onderwerp verzwijgt, is het aannemelijk dat Bruce ook een vrijmetselaar was. In 1794 stierf Bruce en werd begraven bij de oude kerk van Larbert. Vlakbij zijn graf lag een reusachtige obelisk, waarop de naam van James Bruce gegraveerd stond. De obelisk was keurig in de rode grondverf gezet en was gerestaureerd, maar het stond nog niet op het graf van de Schotse ontdekkingsreiziger.
Navraag leverde op dat de restauratie was georganiseerd en betaald door niemand minder dan het titulaire hoofd van de Bruce-clan in Schotland: de graaf van Elgin en Kincardine, zelf een meestervrijmetselaar. Ik maakte daarop een afspraak met Lord Elgin. Hij had maar een kwartiertje tijd zo waarschuwde hij me. Toen ik met Lord Elgin over James Bruce praatte kwam de gastheer los. Hij liet me enkele kasten zien die vol stonden met oude, esoterische boeken in vele verschillende talen, die uit Bruces persoonlijke bibliotheek komen. Het kwartiertje liep uit tot anderhalf uur. De laatste vraag die ik stelde was of Bruce vrijmetselaar was geweest.
Elgin keek me verbaasd aan. 'Mijn beste kerel,' antwoordde hij, 'maar natuurlijk was hij vrijmetselaar. Dat was een zeer, zeer belangrijk deel van zijn leven.'
III HET LABYRINT
Ethiopië, 1989-1990
8. TERUG NAAR ETHIOPIË.
James Bruce was dus inderdaad vrijmetselaar geweest. Hij was lid van de door koning Robert Bruce gestichte loge Canongate Kilwinning Nr. 2, in Edinburgh.
Op 12 juni 12989 ontmoette ik in Londen de aartspriester van de Ethiopische Orthodoxe Kerk, Liqa Berhanat Solomon Gabre Selassie. Ik vroeg aan hem of de Ark des Verbonds in de Ethiopische geschiedenis net zo'n rol gespeeld heeft als in het Oude Testament. Aartspriester Solomon verzekerde mij dat Menelik II in 1896 een glorieuze overwinning had behaald op een Italiaanse strijdmacht van 17.700 man. Bij deze veldslag had Menelik II de Ark des Verbonds op het slagveld laten komen om de binnenvallende troepen te bestrijden. Ook vertelde hij me dat de Ark in onrustige tijden uit Aksoem werd weggehaald en naar een veilige schuilplaats werd gebracht. Zo werd de Ark in de 16de eeuw naar het kloostereiland Daga Stephanos overgebracht.
9. HET HEILIGE MEER
De Ethiopische boten, de tankwas, die ik op het Tana Meer zag, vertoonden opmerkelijke gelijkenis met de rieten boten die de farao's hadden gebruikt om op en alnds de Nijl te vissen en te jagen.
Daarom vroeg ik me af of de oude Egyptenaren ook het gebied rond het Tana Meer hadden bezocht. Tenslotte was het Tana Meer het belangrijkste reservoir van de Blauwe Nijl.
De Griekse geograaf Strabo, die omstreeks het begin van onze jaartelling leefde, wist dat de Blauwe Nijl ontsprong in een reusachtig meer in Ethiopië, dat hij 'Pseboe' noemde. In de tweede eeuw gaf de Egyptische geograaf Claudius Ptolemaeus aan het Tana Meer de naam 'Coloe'.
De Abbesijnen zelf geloven dat de Blauwe Nijl niets anders was dan de Gichon uit Genesis 2:13 - de 'tweede rivier' die 'om het gehele land Ethiopië' stroomde.
Eén van de eilanden in het Tana Meer is Daga. Het wordt als een van de heiligste plaatsen in het Tana Meer beschouwd en daarom worden de gemummificeerde lichamen van vijf voormalige keizers hier bewaard.
De geestelijken wisten echter niets over de Ark. Wel werd ik verwezen naar een ander eiland, Tana Kirkos, dat een eind naar het oosten lag.
De hoogste priester van dit eiland was Memhir Fisseha. Van hem hoorde ik dat de Ark des Verbonds zich inderdaad op Tana Kirkos had bevonden, maar nu is ze daar niet meer. Ze was namelijk 1600 jaar geleden, in de tijd van koning Ezana, naar Aksoem gebracht. Volgens de priester was de Ark door Menelik I en zijn gevolg vanuit Jeruzalem naar Egypte gebracht, waar ze de Nijl volgden en via de zijrivier, de Takazze, Ethiopië bereikten. Het gezelschap koos het huidige Tana Kirkos uit als verblijfplaats voor de Ark.
Volgens de priester had ze daar achthonderd jaar gestaan. De Ark stond op het eiland niet in een gebouw maar in een tent. Pas koning Ezana bouwde een kerk voor de Ark in Aksoem.
Er zat dus een enorme kloof tussen de tijd van Salomo (omstreeks 950 v.C.) en de tijd waarin de Ark op Tana Kirkos zou zijn aangekomen (omstreeks 470 v.C.). De priester bevestigde dat ze vroeger joden waren en offers brachten. Als bewijs liet hij ons offerschalen zien, de zogeheten gomers, waarin het bloed van het geslachte lam werd opgevangen. Het woord gomer was echter geen Ethiopisch woord. De zuilen die op Tana Kirkos staan behoren tot de oudste vorm van het joodse geloof, zoals het in de Sinaï-woestijn en in Palestina was beleden.
10. DE GEEST IN HET LABYRINT
In de Kebra Nagast staat in hoofdstuk 84 dat Menelik en zijn reisgenoten het heilige voorwerp naar 'Debra Makeda' hadden gebracht. De stad Aksoem wordt nergens in het epos genoemd. Maar waar lag Debra Makeda? Ik wist dat debra 'berg' betekende en dat 'Makeda' de Ethiopische naam voor de koningin van Sheba was.
Tana Kirkos had pas vrij laat de naam 'Kirkos' gekregen, ter ere van een christelijke heilige, Vóór de bekering van Ethiopië tot het christendom heette het "Debra Sehel", wat zoiets betekent als "Berg der Vergiffenis".
Verrassend want in Wolfram von Eschenbachs Parzival werd de plaats waar het Graalkasteel en de Graaltempel zich bevonden aangeduid als Munsalvaesche, dat door een aantal Wolfram-kenners geassocieerd werd met de het Bijbelse Mons Salvationis, de Berg der Verlossing.
Vóór de verlossing in religieuze zin kwam de vergiffenis. In Parzival stond de Graaltempel aan de oever van een meer, mogelijk zelfs op een eiland.
Op het eiland Debra Zion, waar in de tiende eeuw de Ark in veiligheid werd gebracht, spreken de mensen Tigrigna, de taal van de heilige stad Aksoem en de provincie Tigre. Maar dit ligt honderden kilometers ten noorden van Debra Zion, terwijl het gebied waar het ligt tot de Amhaarse taal behoort.
De voorouders van de bewoners van Debra Zion zijn rond 960 vanuit Tigre naar het eiland gekomen.
Ik hoorde dat er een oud boek bestaat waarin beschreven staat hoe de Ark in de tijd van koningin Gudit naar Debra Zion is gekomen. Het verrassende was echter dat de passage over de Ark is verdwenen. Twintig jaar voor mijn komst had een man de betreffende bladzijden uit het boek gesneden en meegenomen. Ik vroeg of die man een Ethiopiër of een blanke man was. Het antwoord luidde dat het een Ethiopiër was, maar niemand wist wie het was.
Toen ik vroeg of ik het betreffende boek mocht zien, bleek dit uit de dertiende of veertiende eeuw te stammen, maar niets wees op weggesneden gedeelten, waarop ik vroeg of we wel het goede boek hadden. De priester zei dat hij zich vergist had en kwam met andere handschriften.
Het bleek daar een heuse schatkamer te zijn, die helaas niet goed gearchiveerd is. We kregen het idee dat de priester ons aan het lijntje wilde houden. Had hij iets te verbergen? Maar wat dan?
Als de route van Menelik in de Kebra Nagast klopt dan zou men mogen verwachten dat de joodse invloed bij de rivier de Takazze het grootst is.
Inderdaad woont de overgrote meerderheid van de Ethiopische joden ten westen en ten zuiden van die rivier.
11. EN DAVID DANSTE VOOR DE ARK
Tijdens mijn onderzoek was ik naast de Falasja's op een ander volk gestuit, de Qement, die ook een joods geloof aanhingen. De hogepriester van dat volk droeg de titel Wambar. De Wambar vertelde mij dat de stichter van het Qement-geloof Anayer heette. Deze kwam heel lang geleden naar Ethiopië, na zeven jaar hongersnood. Hij kwam uit een ver land. Hij ontmoette tijdens die reis ook de stichter van het Falasja-geloof, die uit hetzelfde land als Anayer kwam. Volgens de Wambar was dat vaderland Kanaän, de oude naam voor Israël.
De Qement geloven in één God, maar vereren ook diens helpers, de engelen: Jakaranti, Kiberwa, Aderaiki, Kiddisti, Mezgani, Shemani en Anzatatera, die blijkbaar allemaal hun eigen plaats hadden in het land. Jakaranti werd hierbij het meest vereerd. De God van de Quement heet Yeadara.
Het Quement-geloof wordt nu nog slechts door een handjevol mensen beoefend.
Het Quement-geloof is gebaseerd op oude joodse tradities, zoals vastgelegd in het oudtestamentische boek Leviticus.
Verder vereren zij 'heilige bosjes'. Ik las in het boek genesis in het Oude Testament, dat Abraham te Berseba een tamarisk plantte, en daar de naam aanriep van de Here.
Toen ik verder las, bleek dat de Hebreeën het gebruik van deze heilige bosjes hadden 'geleend' van de Kanaänieten (de autochtone bewoners van het heilige Land). Bovendien bevonden deze bosjes zich normaal gesproken op hoge plaatsen (bekend als bamoth) en bevatten ze vaak een stenen offerzuil van het type dat ik op Tana Kirkos had gezien.
Later werden de heilige bomen omgehakt en de zuilen omver gesmeten.
Aan een grote oude acaciaboom hadden de Qement alle takken avn de boom versierd met kleurige stroken stof. Mogelijk wordt iets soortgelijks bedoeld in het tweede boek Koningen, dat spreekt over 'waar de vrouwen hoezen voor Asjera weefden'.
De Qemant bevat te veel heidense en animistische elementen om daadwerkelijk joods te zijn.
Van een Falasja-priester hoorde ik dat het gezelschap-Menelik tijdens hun reis hadden gerust in Aswan en Meroë. Aswan ligt in Boven-Egypte, bij de plek van de moderne, gelijknamige stuwdam. Meroë, de oude hoofdstad van Nubië, lag veel verder naar het zuiden, in de huidige republiek Soedan.
Ik woonde het Timkatfeest, waar een tabot in de processie werd meegedragen.
Vóór de tabot werd ruimte vrijgehouden voor groepen dansers: mannen en vrouwen, sommigen in gewone kleren, anderen in priestergewaad. Alle groepen concentreerden zich rond een rommelaar, die zijn kebero om zijn nek had gehangen en een oud, woest ritme trommelde. Schreeuwend danste hij in het rond, net als de anderen, die luid in de handen klapten en hun tamboerijnen en cymbalen bespeelden terwijl het zweet tappelings van hun lichaam stroomde.
Opgezweept door het gezang, het geschetter van trompetten, het getokkel van een tiensnarige begegna en de betoverende tonen van een herdersfluit voerde een jongeman in een traditioneel wit katoenen gewaad een wilde soloans uit. De priesters droegen de heilige tabot hoog boven hun hoofd. De jongen danste met hart en ziel en het tafereel deed me denken aan drieduizend jaar terug toen koning David vóór de ark 'uit alle macht' danste.
Bij dit feest werd ook gebruik gemaakt van de sistra, een oeroud instrument, dat al bekend was sinds de pre-dynastieke periode van Egypte.
IV. EEN ONTZAGWEKKEND INSTRUMENT
EGYPTE , 1989-1990
12. MAGIE... OF METHODE?
Ik vroeg me nu niet alleen meer af waar maar ook wat het heilige voorwerp eigenlijk was. Mozes kreeg een 'goddelijke blauwdruk' om de Ark des Verbonds te maken en gaf deze instructies door aan de schrijnwerker Besaleël. Nadat de Ark voltooid was en de twee stenen tafelen met de Tien Geboden in de Ark waren gelegd werd deze geplaatst achter een 'voorhangsel' in het heilige der heiligen van de tabernakel, de tent die de Israëlieten tijdens hun tocht door de woestijn als verplaatsbaar heiligdom gebruikten.
Nu begonnen er afschuwelijke dingen te gebeuren. Het eerste incident betrof Nadab en Abihu, twee van de vier zonen van de hogepriester Aäron, Mozes' broer. Als leden van de priesterfamilie hadden zij toegang tot het heilige der heiligen, waar ze op een dag binnengingen. Volgens het boek Leviticus ontstaken ze 'vreemd vuur voor het aangezicht des Heren, hetgeen Hij hun niet geboden had'. Het gevolg was dat er een vlam uit de Ark schoot die hen verteerde.
De Ark was bedekt met een plaat van zuiver goud. Deze plaat werd het 'verzoendeksel' genoemd. Aan de uiteinden van het deksel waren twee gouden cherubijnen geplaatst, met de gezichten naar elkaar toe. Als er een wolk op het verzoendeksel tussen de cherubijnen verscheen kon die dodelijk zijn.
De wolk was er niet altijd.
De Ark werd door de Kohathieten, een priesterkaste, gedragen, maar er zijn verhalen bekend dat sommige dragers gedood zijn door de 'vonken; die de Ark produceerde. Ook werden ze zo nu en dan van de grond getild omdat 'de Ark in staat [was] behalve zichzelf ook zijn dragers te tillen.
Onder Mozes' leiderschap en met hulp van de Ark onderwierpen de Israëlieten de woeste stammen van het Sinaïschiereiland, veroverden Transjordanië, versloegen de Midianieten en aan het eind van Mozes' leven sloegen ze hun kamp op 'in de velden van Moab... bij Jericho'.
Mozes benoemde Jozua tot zijn opvolger en met behulp van de Ark nam Jozua Jericho in, doordat de stadsmuren van de stad ineenstortten.
Binnen honderdvijftig jaar na Jozua's dood wordt de Ark niet altijd meer op het slagveld gebruikt. De Ark bevond zich toen permanent in Shilo, een belangrijk religieus centrum.
De Israëlieten hadden toen het grootste deel van het Heilige Land in handen en vonden het blijkbaar niet meer nodig de Ark als geheim wapen in te zetten, totdat de Israëlieten in de Slag bij Ebenezer door de Filistijnen werden verslagen, waarbij vierduizend Israëlitische soldaten sneuvelden.
Daarop haalden de Israëlieten de Ark des Verbonds erbij, maar tot stomme verbazing van alle betrokkenen werd Israël verslagen. Ze leden zelfs een groot verlies, want dertigduizend man voetvolk sneuvelde. De Ark zelf werd door de Filistijnen buitgemaakt. Deze gebeurtenis zou de dood worden van de toenmalige hogepriester Eli.
Nadat de Filistijnen de ark Gods buitgemaakt hadden brachten ze deze naar de tempel van Dagon in Asdod. De volgende dag zagen de inwoners van Asdod dat het beeld van Dagon op zijn gezicht ter aarde was gevallen vóór de Ark, en zetten het beeld weer op zijn plaats. De dag erna lag het beeld weer om, maar het hoofd en de beide handen van het beeld waren afgebroken. De omgeving van Asdod werd tevens geteisterd door een builenplaag en daarom brachten de Asdodieten de Ark van hun stad naar Gath, maar ook daar kregen alle inwoners van de stad builen. Nu ging de Ark naar de stad Ekron, maar de inwoners van Ekron wilden de Ark niet hebben. De Filistijnen besloten ten slotte - na zeven maanden - om de Ark 'terug te zenden naar haar eigen plaats'. Daartoe laadden ze de Ark op een 'nieuwe wagen', getrokken door 'twee zogende koeien' en stuurden haar terug naar Bet-Semes, de dichtstbijzijnde plaats in Israëlitisch gebied.
De inwoners van deze stad waren verheugd toen ze de Ark zagen, maar de zeventig man die dit voorwerp zagen stierven.
Geheel onverwachts kwamen toen 'de mannen van Kirjat-Jearim', die de Ark meenamen, niet terug naar Shilo maar naar 'het huis van Abinadab op de heuvel'.
Daar bleef de Ark ongeveer een halve eeuw staan. Pas toen David tot koning van Israël was gezalfd, werd de Ark weer teruggehaald. Maar opnieuw ging dit niet vlekkeloos. Een van de begeleiders, Uzza, probeerde de Ark voor vallen te behoeden, maar stierf toen hij de Ark had aangeraakt.
David besloot daarop de Ark voorlopig onder te brengen in het huis van 'de Gattiet Obed-Edom'. Daar bleef de Ark drie maanden. Daarna leidt David de Ark naar Jeruzalem, terwijl hij deze met veel muziekinstrumenten liet begeleiden en hijzelf voor de Ark danste.Davids zoon en opvolger Salomo zou de tempel bouwen als huis voor de Ark.
Omstreeks 955 v.C. was de tempel klaar en werd de Ark in het heilige der heiligen geplaatst. Daar bleef het totdat het ergens tussen de tiende en de zesde eeuw v.C. op mysterieuze wijze verdween.
Maar waar kwamen die krachten van de Ark vandaan? De Ark gedroeg zich consequent als een krachtige machine die was ontworpen voor enkele zeer specifieke taken binnen duidelijk omschreven grenzen. Je verwacht echter niet dat zo'n machine meer dan drieduizend jaar geleden gemaakt kon worden, toen de beschaving en de technologie in de kinderschoenen stonden.
Daar Mozes en de Israëlieten uit Egypte kwamen zocht ik aanwijzingen over de ware aard van de Ark in dat land.
Uit het graf van Toetanchamon komen ook met goud bekleedde kisten voor, die met draagstokken konden worden vervoerd, net zoals met de Ark het geval was.
Op een aantal van die kisten staan grote, afschrikwekkende gevleugelde vrouwen, die als de godinnen Isis en Neftis werden geïdentificeerd. Net als de cherubijnen in de bijbelse beschrijving van de Ark hadden zij de vleugels 'opwaarts gespreid'.
Toetanchamon liet in de 14de eeuw v.C. het Apetfeest uitvoeren. Hierbij droeg een groep priesters aan draagstokken op hun schouders een soort ark, hier geen kist, maar een kleine boot. De processies werd begeleid door de klanken van sistra en ander muziekinstrumenten. De afbeelding van dit feest in Luxor deed me denken aan het Timkatfeest dat ik meegemaakt had. De arken van het Apetfeest bevatten godheden - dat wil zeggen: kleine stenen beeldjes van de verschillende goden uit het Egyptische pantheon.
De stad Luxor is beter bekend onder zijn Griekse naam Thebe. Deze naam was afgeleid van het Egyptische Tapet, dat weer de vrouwelijke vorm was van Apet. Dus was Thebe genoemd naar het grote feest waarom ze bekend was.
Mij trof de overeenkomst tussen de woorden Tapet en tabot. Ik vermoedde dat het Hebreeuwse tebah ('een soort boot') was afgeleid van Tapet.
Om meer hierover te weten te komen besloot ik de figuur van Mozes uitgebreid te bestuderen.
Volgens Josephus Flavius, een farizeeër uit de eerste eeuw na Christus, was Mozes door een astroloog aan het hof van de farao voorspeld. Toch zou hij aan het hof van de farao opgroeien, waar hij werd onderwezen in de Egyptische zaken. Behalve astrologie hoorde ook de toekomstvoorspelling, de orakelleer en andere vormen van occulte kennis hierbij. Mozes was een magiër. Zijn eerste ontmoeting met God vond plaats in het land Midian, waarheen hij was gevlucht nadat hij een Egyptische opzichter had gedood ut woede over diens behandeling van joodse arbeiders. Het is het verhaal van de brandende maar niet verschroeiende braambos. God gaf Mozes bevel naar Egypte terug te keren om zijn volk uit de gevangenschap te leiden. Voordat hij gehoorzaamde, vroeg Mozes echter naar de NAAM van dat vreemde, machtige wezen dat hem had toegesproken.
Iedere Egyptische magiër geloofde dat hij die de ware naam kende het diepste wezen van de god of mens bezat en zelfs een godheid tot gehoorzaamheid kon dwingen. Vandaar dat God hem beantwoordde met het raadselachtige 'Ik ben die Ik ben". En als verduidelijking voegde hij daaraan toe: 'Ik ben de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.'
De zin 'Ik ben die Ik ben' was de wezenlijke betekenis van de naam Jahweh in het Oude Testament, later verbasterd tot 'Jehova'.
Mozes en zijn broer Aäron riepen plagen over de Egyptenaren uit om de farao te bewegen de Israëlieten te laten gaan. Beide broers hadden een magische staf die ze bij hun bezweringen gebruikten.
Mozes veranderde zijn staf in een slang, maar de hofpriesters van de farao deden hetzelfde. Dat gold ook voor de volgende rampen: water in bloed veranderen, het oproepen van een kikkerplaag. Pas bij de plaag van de muggen moesten ze zich gewonnen geven.
Nog steeds liet de hardvochtige koning de Israëlieten niet gaan. Daarvoor werd hij gestraft met een plaag van steekvliegen en kort daarna met een veepest die de runderen doodde. Vervolgens riep Mozes een plaag van zweren over Egypte af, en daarna gebruikte hij zijn staf om donder en hagel te veroorzaken, een sprinkhanenplaag en drie dagen van 'dikke duisternis'. Ten slotte dreigde de profeet de farao met de dood van 'iedere eerstgeborene in het land Egypte'.
Uiteindelijk begon de exodus, de uittocht van Egypte, en daarmee een lange periode van gevaren en magie, waarin ook de Ark des Verbonds werd gebouwd - aan de voet van de berg Sinaï. Maar voordat die berg kon worden bereikt moest eerst de Rode Zee worden overgestoken. En hier gaf Mozes opnieuw een demonstratie van zijn occulte krachten: De splitsing van de wateren van de Rode Zee. De Israëlieten gingen over het nu drooggevallen pad door de zee, maar werden achtervolgd door de Egyptische troepen. De Egyptische troepen verdronken echter omdat het water van de zee weer terugvloeide.
Er bestaat een pendant in de Westcar Papyrus uit de Vierde Dynastie, zo'n 1500 jaar voor Mozes, waar de magiër Tchatcha-em-ankh ook water liet wegvloeien en weer terug liet stromen.
De bouwkunst van de Egyptenaren was volmaakt en slechts vergelijkbaar met de gothische bouwkunst, die door de Tempelieren in Europa was geïntroduceerd. Eén van de raadselen van Egypte is hoe ze de obelisken, monolieten die uit één steen bestaan, zo keurig op hun sokkels hebben gezet. Kenden de Egyptenaren technieken van mechanisch evenwicht die ons onbekend zijn? Met zulke technieken zouden ze in staat zijn geweest deze enorme stenen moeiteloos en nauwkeurig te manipuleren. Wij zouden het magie noemen.
Dit gold natuurlijk ook voor de bouw van de piramiden. De bekendste is de Grote Piramide van Cheops, die omstreeks 2550 v.C. werd gebouwd voor Kufu (of Cheops), de tweede farao uit de vierde dynastie. Het was het grootste bouwwerk dat ooit door de mens was opgetrokken. Men gaat ervan uit dat de piramide uitsluitend als grafmonument is ontworpen en gebouwd. Maar er is nooit een mummie van een farao in gevonden - alleen een armzalige, onversierde sarcofaag in de zogenaamde Konigskamer, ontdekt door kalief Al-Mamum in de negende eeuw. De kist bleek echter leeg te zijn en zelfs geen deksel te bevatten.
13. SCHATTEN DER DUISTERNIS
Mozes beschikte over een geheime kennis, die hij in Egypte had opgedaan.
Maar waar hadden de Egyptenaren hun kennis vandaan? Zelf schrijven ze die kennis aan de maangod Thot toe, de uitvinder van het schrift en alle wijsheid, en de beschermer van de magie. Thot had ook het jaar in twaalf maanden verdeeld. In Hermopolis in Boven-Egypte werd Thot gezien als de universele schepper, die de wereld had geschapen met niets anders dan de klank van zijn stem, door één machtig woord te spreken. Thot zou zijn hele kennis hebben vastgelegd op 36.535 rollen, die hij over de hele aarde had verspreid, zodat toekomstige generaties ze konden vinden.
Thot werd door de Grieken vereenzelvigd met hun god Hermes. Wanneer de cultus van Thot is begonnen is niet bekend. Bij het allereerste begin van de Egyptische beschaving was hij al aanwezig geweest. De oude Egyptenaren waren ervan overtuigd dat hun eerste vorsten goden waren geweest en ook Thot hoorde daarbij. Zijn bewind zou 3226 jaar hebben geduurd. Zijn voorganger op de troon was de god Osiris, die ook met de maan geassocieerd werd. Osiris speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van Egypte. Aan het begin van zijn bewind was Egypte nog barbaars, grof en primitief, en de Egyptenaren kannibalen. Osiris leerde hen echter het land te bewerken,
graan en gierst te verbouwen, wijndruiven te planten en liet hun een stelsel van wetten na.
Ik vroeg me af of deze goden een metafoor waren voor een bestaande figuur of een groep figuren die in de verre oudheid de beschaving en de wetenschap naar Egypte brachten.
De Egyptische beschaving was bijna vanuit het niets ontstaan. Omstreeks 3600 v.C. doken opeens de hiërogliefen op. Al aan het begin van de Eerste Dynastie bestond een geavanceerd 'lopend' schrift dat algemeen werd gebruikt. Dit gold ook voor het Dodenboek.
Ook de Soemeriërs aan de Eufraat vereerden bijna identieke maangoden als de Egyptenaren. Aan de Soemerische maangod Sin werden bijna dezelfde eigenschappen toegedicht als aan de Egyptische godheid Thot.
Het lijkt erop dat de Soemeriërs en Egyptenaren onafhankelijk van elkaar hun beschaving aan een derde cultuur hebben ontleend.
Die derde cultuur zou het verloren continent Atlantis kunnen zijn. Het oudst bekende verslag over Atlantis is afkomstig van de Griekse filosoof Plato, een van de grondleggers van het westerse denken. Plato zelf schreef dat Atlantis geschiedenis was en zijn informatie van een Egyptische priester had. Hij schreef dat Atlantis buiten de Zuilen van Herakles zou hebben gelegen. Er bestonden echter onweerlegbare geofysische bewijzen dat er in de Atlantische Oceaan nooit zo'n grote landmassa kon hebben bestaan.
Toch zal Plato's verhaal een kern van waarheid bevatten. Ik vroeg me af of er in Mesopotamië een soortgelijke overlevering bestond.
En inderdaad, ook de Soemeriërs kenden het verhaal over een grote overstroming die lang geleden een machtige en welvarende cultuur had verwoest. Deze cultuur moet op ongeveer gelijke afstand van de Nijldelta en de Eufraat hebben bevonden. Daar Plato over olifanten sprak moeten we denken aan Afrika, India en Zuidoost-Azië, dus aan de Indische Oceaan.
Ik kwam erachter dat Thot een overstroming zou hebben veroorzaakt om de mensheid voor haar verdorvenheid te straffen. Ook had Thot Osiris uit het water gered. Ook Mozes was uit het water gered. Andere voorbeelden van 'uit water geredden' waren Horus, de zoon van Osiris en Isis, en Sargon de Grote, een vorst van Mesopotamië aan het einde van het derde millennium v.C., de profeet Jona, die door een grote vis werd opgeslokt en drie dagen later 'op het droge werd uitgebraakt', maar het bekendste voorbeeld was Noach, die met zijn familie de zondvloed overleefden in een schip dat wij nu kennen als de ark. Jezus' redding uit het water had een geheel symbolische vorm: het mysterieuze doopritueel in de rivier de Jordaan.
Het lijkt mij niet uitgesloten dat hier in werkelijkheid een beschrijving werd gegeven van de initiatie van Jezus in geheime kennis. Bovendien begon Christus pas NA deze inwijding zijn wonderen.
In Egypte zijn reeds voor het begin van de Eerste Dynastie de oudste grafboten gevonden. Ook werd vlakbij de Grote Piramide in Gizeh een schip gevonden. Dit schip was zeewaardig. Later werden er nog meer dergelijke boten gevonden. Betrouwbare, zeewaardige schepen zijn van levensbelang voor een groep kolonisten die een zondvloed had overleefd. Misschien dachten zij of hun afstammelingen dat ze die boten nog eens nodig konden hebben.
De grootste bloei beleefde Egypte van de Derde tot en met de Vijfde Dynastie, van ongeveer 2900 tot 2300 v.C.
Dit begon met de trappiramide van Zoser, de eerste farao van de Derde Dynastie, bij Sakkara. De architect van dit bouwwerk was de magiër Imhotep, die uiteindelijk tot godheid werd verheven. Imhotep werd regelmatig geassocieerd met Thot.
Te tijde van het bewind van koningin Hatsjepsoet (Nieuwe Rijk) was de architect Senmoet, ook een ingewijde.
De Tempeliers bekenden dat ze een 'mysterieus baardig hoofd' hadden aanbeden, Baphomet genaamd. Deze Baphomet werd geïdentificeerd met Mohammed, daarbij het feit negerend dat de islam onmogelijk dit gedrag kon hebben geïnspireerd omdat de moslims hun profeet als een mens en niet als een godheid beschouwen en iedere vorm van beeldenverering verwerpen.
Volgens dr. Hugh Schonfield was Baphomet hetzelfde als het griekse woord Sophia, dat wijsheid betekent. Ook de vrijmetselaars koesterden grote eerbied voor Thot.
De astronoom Copernicus verklaarde dat de aarde om de zon draaide, een gegeven dat hij had gevonden door bestudering van de geheime geschriften van de Egyptenaren. Ook de 17de eeuwse Kepler en Sir Isaac Newton verwezen naar Egyptische bronnen.
Na dit alles concludeerde ik dat de Ark een monsterachtig apparaat was dat een ontzagwekkende energie kon produceren die bij verkeerd gebruik tot een ware catastrofe leidde. Mozes bracht de Israëlieten beschaving. Om dit volk eerst enige discipline bij te brengen moest het volk veertig jaar door de onherbergzame woestenij van het Sinaï-schiereiland zwerven.
Voordat Mozes de Israëlieten uit Egypte had geleid had hij veertig jaar in de woestijn gewoond en vermoedelijk de Sinaï verkend. Op de Serabit-el-Khadem had de Britse archeoloog Sir William Flindrs Petrie, fragmenten van enkele stenen platen gevonden. Op die stenen stonden teksten in een pictografisch alfabet van een Semitisch-Kanaänitische taal die verwant was aan het Hebreeuws. Deze plaats was van omstreeks 1990 tot 1190 v.C. een belangrijk centrum voor de winning en verwerking van koper en turkoois geweest. Daar Mozes ergens in de dertiende eeuw v.C. heeft geleefd is het heel goed mogelijk dat hij dit dorp kende.
Op de berg Sinaï werd in de vierde eeuw een klooster gebouwd, dat in de 11de eeuw aan de Heilige Catharina werd gewijd en sinds die tijd staat het bekend als 'Sint Catharina'.
Het is mogelijk dat Mozes op de berg stukken meteoriet vond, die mogelijkradioactief waren en een krachtige energiebron vormden.
V. WAAR BLEEF DE GLORIE?
Israël en Egypte, 1990
14. EN DE GLORIE VERDWEEN UIT ISRAËL
Salomo bouwde de tempel eerder als gevangenis voor de Ark des Verbonds dan als een paleis voor God.
Salomo gaf de opdracht voor de bouw aan Hiram van Tyrus, de zoon van een weduwe uit de stam Naftali. Ook Parzival wordt in de Graalliteratuur beschreven als 'de zoon van de weduwe'. Hiram blijkt ook van grote betekenis voor de vrijmetselarij, die hem kende als 'Hiram Abiff' en die in al haar belangrijke rituelen naar hem verwees.
Volgens de vrijmetselaartraditie was Hiram vermoord door drie van zijn medewerkers kort nadat hij al het bronswerk voor de Tempel had vervaardigd.
Dit was kennelijk zo'n belangrijke gebeurtenis dat het werd vermeld in de inwijdingsceremonie voor meestervrijmetselaars, waarbij iedere kandidaat de rol van het vermoorde slachtoffer moest spelen.
Hiram maakte volgens de bijbel de zee, van gietwerk, en had in de voorhof van de tempel gestaan. Het was een reusachtig bronzen bassin, ruim vijf meter in doorsnee en meer dan tweeënhalve meter hoog. In lege toestand woog het ongeveer dertig ton, maar meestal bevatte het zo'n veertigduizend liter water. Wat de functie van deze zee was is onduidelijk, maar m.i. had de zee de functie van een soort heilig meer, zoals gebruikt werd tijdens de Apet- en Timkatfeesten.
Ook maakte Hiram o.a. twee zuilen, Jakin en Boaz geheten. Deze twee namen komen ook in de vrijmetselaarstraditie voor. Zij geloven dat deze twee zuilen hol waren geweest en dat ze 'oude documenten' en 'waardevolle geschriften' hadden bevat. Salomo had bevolen dat de bouwers van de tempel geen ijzeren gereedschappen mocht gebruiken, maar gaf deze de geheimzinnige 'sjamir', een steen die rotsen splijt, de hardste metalen kon bewerken.
De vraag was wanneer de Ark uit de Tempel verdween. In 926 v.C. slechts vijf jaar na de dood van Salomo werd diens opvolger Rehabeam aangevallen door de Egyptische farao Sisak, die de tempel leegplunderde. Maar niets op Sisaks reliëf in Karnak wees op de plundering van Jeruzalem. Daarentegen waren de meeste door hem geplunderde steden in het noorden van Israël gelegen. Het lijkt er eerder op dat Sisak door Rehabeam werd afgekocht met schatten uit de tempel, maar daar zat de Ark natuurlijk niet bij.
In 796 v.C. vond er een veldslag plaats tussen Joas, de koning van Israël en Amasja, de koning van Juda. Joas versloeg Amasja en plunderde Jeruzalem, maar net als Sisak had hij zich aan de kleinere kostbaarheden vergrepen.
De Babylonische koning Nebukadnezar viel Jeruzalem twee keer binnen. In 598 v.C. wist Nebukadnezar Jeruzalem in te nemen. Hij drong zelfs door tot de voorhal van het heilige der heiligen. Bij de buit zaten de gouden scharnieren voor de deuren van het binnenste vertrek naar het heilige der heiligen. Dat betekende dat in die tijd de deuren al weg waren en hadden de Babyloniërs zo in het heiligdom kunnen kijken. Maar de Babyloniërs namen de Ark niet als buit mee, wat voor hen ongebruikelijk was.
In 587 v.C. rukte Nebukadnezar nog een keer op naar Jeruzalem waarbij hij de stad opnieuw innam en de tempel ontmantelde. Ook nu geen woord over de Ark.
Het joodse volk werd in 598 v.C. als gevangenen naar Babylonië meegevoerd, en de overgeblevenen in 587 v.C. Deze ballingschap zou niet lang duren, want in 538 v.C. versloeg de Perzische koning Cyrus de Grote de Babyloniërs.
Cyrus liet de joden weer vrij en ze mochten zelfs hun geroofde cultusvoorwerpen weer meenemen. Dit waren dertig gouden schalen, duizend zilveren schalen, negenentwintig messen, dertig gouden bekers, vierhonderdentien zilveren bekers, en duizend andere voorwerpen.
De terugreis vond plaats in 538 v.C. en in het voorjaar van 537 v.C. werd begonnen met de tweede tempel op de fundamenten van de eerste. het werk werd voltooid omstreeks 517 v.C. Het verschil met de eerste tempel was dat er nu geen Ark des Verbonds meer was.
Nu zocht men een verklaring waar de Ark gebleven was. De Talmoed beweert dat de Ark door koning Josia (640-609 v.C.) verborgen was. Volgens het Tweede boek van Makkabeeën zou de profeet Jeremia de Ark hebben verborgen bij de berg Nebo.
In 1981 ging een Amerikaanse onderzoeker, Tom Crotser, naar de berg Nebo in het huidige Jordanië om opgravingen te verrichten. Nadat hij een vergeefs onderzoek op de Nebo had verricht ging hij naar de naburige berg Pisgah, waar hij een tunnel vond. Crotser beweerde de Ark gevonden te hebben, maar nam hem niet mee. Wel maakte hij er een paar kleurendia's van, maar Crotser weigerde halsstarrig de dia's vrij te geven voor onderzoek. Slechts weinig mensen waren onder de indruk van zijn bewering dat God hem had opgedragen de dia's alleen aan de Londense bankier David Rothschild te geven, die volgens hem een rechtstreekse afstammeling was van Jezus Christus en door de Here was uitverkoren de Derde Tempel te bouwen, waarin de Ark des Verbonds - eenmaal uit zijn schuilplaats gehaald - een prominente plaats moest innemen, Rothschild, lid van dezelfde internationale bankiersfamilie die zich in 1910 tegen archeologische opgravingen op de Tempelberg had verzet, weigerde ijzig de dia's in ontvangst te nemen. De dia's bleven in Crotsers bezit en slechts een select gezelschap heeft de dia's mogen zien. Eén van hen was de archeoloog Siegfried H. Horn, die inderdaad een kist op de dia's aantrof.
Maar deze kist was niet de Ark, want deze kist was van koper en bevatte een moderne spijker.
15. VERBORGEN HISTORIE
Volgens de Kebra Nagast had koning Salomo de verdwijning van de Ark in de doofpot gestopt. Bij zo'n affaire zouden ongetwijfeld de koning en de priesters betrokken zijn geweest. Maar kon dit ook een andere Israëlitische koning zijn geweest?
Het boek I Koningen dateerde van na de regering van koning Josia (640-609 v.C.). In het achtste hoofdstuk van dat boek wordt de installatie van de Ark in het heilige der heiligen beschreven. Het meest opvallende aan dat gedeelte van de Ark dat er expliciet bijstaat: 'Zij zijn daar gebleven tot op de huidige dag.'
Wat was het nut van zo'n opmerking, tenzij de Ark op dat moment juist NIET meer in de tempel had gestaan.
Ook in het boek Deuteronomium, dat in dezelfde tijd geschreven is, vinden we dezelfde uitdrukking. Een uitdrukking die gebruikt lijkt te worden om twijfels of vragen te weerleggen.Koning Josia liet de tempel restaureren. In dit verband is de volgende passage uit II Kronieken van belang:
'Josia verwijderde al de gruwelen uit al de landstreken die aan de Israëlieten toebehoorden... Hij wees de priesters hun taak aan...
Ook zeide hij tot de Levieten die aan geheel Israël onderwijs gaven en de Here heilig waren: ZET DE HEILIGE ARK IN DE TEMPEL DIE SALOMO, DE ZOON VAN DAVIJD, DE KONING VAN ISRAËL GEBOUWD HEEFT. GIJ BEHOEFT DIE NIET MEER OP DE SCHOUDER TE DRAGEN.'
Als de Ark al in de tempel had gestaan had Josia dit niet aan de Levieten hoeven vragen. De Ark moet dus al verdwenen zijn vóór koning Josia. Het verzoek van Josia vond plaats in 622 v.C., maar de Levieten waren niet in staat om aan Josia's verzoek te voldoen.
De Ark kon ook ziekten veroorzaken zoals we al hadden opgemerkt. Daarom is de passage beschreven in II Kronieken 26 ook van belang waar koning Uzzia (781-740 v.C.) nadat hij de tempel was binnengegaan om reukwerk op het altaar te ontsteken. Net als de zonen van Aäron had hij een wierookvat in zijn handen. Uzzia's melaatsheid die daarop volgde moet zijn veroorzaakt door blootstelling aan de Ark.
Dit betekent dat de Ark toen nog in het heilige der heiligen zou hebben gestaan en dat deze in de periode tussen 740 en 640 v.C. verdwenen moet zijn.
Op advies van de profeet Jesaja had de joodse koning Hizkia geweigerd zich over te geven aan de Assyrische koning Sanherib, die Jeruzalem in 701 v.C. belegerde. Er gebeurde een wonder want 'de engel des Heren doodde in het leger van Assur 5180 man'. Volgens sommige historici omdat de builenpest was uitgebroken. Dit was een aanwijzing dat de Ark zich toen nog in Jeruzalem bevond. Hizkia overleed in 687 v.C. en na hem regeerden Manasse (687-642 v.C.) en Amon (642-640 v.C.). Tijdens het bewind van een van deze koningen moest de Ark dus zijn verdwenen.
Manasse wordt in de bijbel heftig bekritiseerd. Hij plaatste o.a. een beeld van Asjera, een heidense boomgodheid, in de tempel, N.B. in het heilige der heiligen. Maar daarvoor moest hij de Ark laten weghalen. Dit zorgde voor massaal verzet tegen de koning - verzet dat meedogenloos werd onderdrukt gezien de zinsnede dat Manasse 'zoveel onschuldig bloed vergoot] dat hij Jeruzalem daarmee vulde van het ene einde tot het andere'.
Zijn opvolger Amon regeerde slechts twee jaar, en werd door zijn dienaren vermoord. Daarop kwam Josia op achtjarige leeftijd op de troon. Toen hij twintig jaar oud was verwijderde hij Asjera uit de tempel en vernietigde het beeld.
Een Falasjapriester, Raphael Hadane, die nu in Israël woonde, vertelde me dat hij niet geloofde dat hij een afstammeling was van Meneliks gevolg. Hij vertelde me dat zijn voorouders Egyptische joden waren geweest, die een tijd in Aswan hadden gewoond. Egypte werd toen veroverd door een buitenlandse koning, die alle tempels van de Egyptenaren verwoestte, behalve de joodse tempel in Aswan. De Egyptenaren dachten daarom dat de joden samenheulden met de vijand en vielen de joden aan. Deze vluchtten toen naar Meroë in Soedan, waar ze bleven, totdat ze opnieuw door een oorlog op vlucht werden gejaagd. Ze kwamen in twee groepen in Ethiopië aan.
Ik vroeg aan Hadane welke plaatsen in of bij het Tana Meer als bijzonder heilig werden beschouwd. Hij gaf daarop als antwoord: Tana Kirkos, Daga Stephanos en Zegie.
Ik ontdekte dat er inderdaad een joodse tempel in het zuiden van Egypte had gestaan, dat was niet in Aswan, maar op het naburige eiland Elephantine, in het midden van de Nijl.
16. DE DEUR NAAR DE ZUIDELIJKE LANDEN
In de oudheid was Aswan een druk handelscentrum.
Uit gegevens van oude papyrusrollen van de joodse kolonie te Elephantine bleek dat de joodse tempel gebouwd was naar het voorbeeld van Salomo's tempel. Er werden nog dierenoffers gebracht, iets dat ten tijde van koning Josia buiten Jeruzalem was verboden. Vanwege het feit dat ze een briefwisseling met Jeruzalem onderhielden, moesten ze van het verbod op de hoogte zijn geweest. Blijkbaar vonden ze dat ze een bijzondere rechtvaardiging hadden om tóch met de offers door te gaan. Het spreekt vanzelf dat de aanwezigheid van de Ark in hun tempel voldoende rechtvaardiging zou zijn geweest.De exacte datum van de bouw van de tempel op Elephantine is niet bekend.
Uit de papyrusrollen bleek echter dat er al vroeg in de zevende eeuw v.Chr. een aanzienlijke joodse gemeenschap op het eiland Elephantine bestond. Op grond hiervan wordt aangenomen dat de tempel omstreeks 650 v.C. moet zijn gebouwd, dus tijdens het bewind van koning Manasse.
Egypte werd in 525 v.C. aangevallen door de Perzische koning Cambyses, van wie bekend is dat hij de Egyptische tempels vernietigde. De joodse kolonie kreeg echter bescherming van de Perzen, maar toen die de macht over Egypte verloren werd de joodse tempel op het eiland vernietigd (410 v.C.).
De joden zouden daarop naar Meroë zijn gevlucht, maar waarom niet naar het noorden - terug naar Israël?
Dit kan te maken hebben gehad met het feit dat de joodse godsdienst zich had ontwikkeld tot een godsdienst zonder Ark.
Zowel de profeten Jesaja als Sefanja wijzen op nauwe banden met Ethiopische joden.
Blijkbaar waren de eerste kleine groepen joden (de voorouders van de Qemant) al heel lang geleden naar Ethiopië getrokken - misschien in de tiende eeuw of nog eerder. Deze emigratie heeft zich zeker nog tot het eind van de vijfde eeuw v.C. voortgezet. Na aankomst bij het Tana Meer integreerden de joden met de oudste inwoners van Ethiopië, zoals de Agaw, waardoor ze geleidelijk hun etnische identiteit verloren. Tegelijkertijd verbreidden ze wel hun joodse geloof en cultuur.
Jacqueline Pirenne beweerde in haar theorie dat Ethiopië niet door joden uit Jemen en het zuiden van Arabië was beïnvloed, maar dat de beïnvloeding andersom had plaatsgevonden, dus vanuit Ethiopië naar zuidelijk Arabië.
Ze beweert dat Sabaeërs oorspronkelijk uit het noordwesten van Arabië afkomstig waren en door de Assyriërs en Babyloniërs werden verdreven, waarna zij in Ethiopië terechtkwamen. Een Sabaeïsche inscriptie uit de 6de eeuw v.C., die in Ethiopië gevonden werd, vermeld dat een Sabaeïsche vorst heerste over de Da'amat, de Saba's en de BR's, waarbij BR's vermoedelijk verwant is aan het Assyrische Abirus, dat waarschijnlijk op de Hebreeën slaat.
VI. EEN TROOSTELOZE WOESTENIJ
ETHIOPIË, 1990-1991
18. EEN ONGRIJPBARE SCHAT
Ik ontdekte tijdens mijn nieuwe bezoek in Ethiopië in de ruïnes van het paleis van koning Kaleb, diverse croix patées, Tempelierskruizen.
Het voorwerp dat vrijdagmiddag 18 januari 1991, aan het begin van het Timkat-feest, naar het Mai Shum-reservoir werd gedragen was een grote, rechthoekige kist met een dikke blauwe doek erover waarop een embleem van een duif was geborduurd. In Wolrams Parzival was de duif ook een embleem van de Graal. Ik had al van deskundigen gehoord dat de echte Ark op zijn plaats bleef, en dat een replica tijdens de processie werd gedragen.Want de Ethiopiërs weten dat je een boom het beste in een bos kunt verbergen, En wat zijn de replica's die zij in hun twintigduizend kerken vereren anders dan een woud van tekens?
En in het hart van dat woud ligt de Ark zelf, de gouden Ark die werd gebouwd aan de voet van de berg Sinaï, die door de woestijn en over de Jordaan werd meegenomen, die de Israëlieten de overwinning bracht in hun strijd om het Beloofde Land, die door koning David naar Jeruzalem werd gehaald en die omstreeks 955 v.C. door Salomo in het heilige der heiligen van de Eerste Tempel werd geïnstalleerd.
Uit die tempel werd de Ark tijdens het bewind van Manasse verwijderd en in veiligheid gebracht op een afgelegen Egyptisch eiland, Elephantine. Daar werd een nieuwe tempel gebouwd waarin de Ark twee eeuwen bleef.
Maar toen die tempel werd verwoest, hervatte de Ark haar rusteloze tocht, ditmaal in zuidelijke richting naar Ethiopië.
Graham Hancock (1992/1993)
Groot-nederland.org kan niet aansprakelijk gesteld worden voor de inhoud van deze website en eventueel onjuiste informatie op deze website. Alle hier aangeboden informatie wordt u aangeboden zonder enige garantie van correctheid, zowel in uitdrukking als in aanduiding.