Vrijmetselarij Loge Groot Nederland

Zoek op website van Groot Nederland

Go to content

Compagnonnage

Vrijmetselarij


DE COMPAGNONNAGE EN DE
TOUR DE FRANCE



Het ontstaan

Tussen de jaren 1200 en 1300 heerste in geheel West-Europa een bouwactiviteit als nooit tevoren in de geschiedenis in een eeuw had plaatsgevonden, ook niet in het oude Egypte, Griekenland of het Romeinse Rijk. In de grote steden van Frankrijk, Engeland, Duitsland en de Nederlanden werd met de bouw van meer dan honderd grote kathedralen begonnen, waarvan een deel nog voor het einde van de eeuw was voltooid. In kleinere stadjes en dorpen werden vele honderden kerken gebouwd, terwijl op het platteland een groot aantal kloosters verrees.
Deze bouwactiviteit vond haar oorsprong in het Ile-de-France, een gebied van enkele honderden kilometers rondom Parijs. In het bijzonder de verbreiding van de leerstellingen van de al in 1020 gestichte Bisschoppelijke School van Chartres droeg bij tot een geheel eigen benadering van het christendom, dat in de kerken en kathedralen aan de gelovige massa onderwezen werd door middel van beelden en symbolen.
Wanneer wij op de 13de eeuw terugblikken, dan rijzen rondom die bouw grote vragen, waarop de tot nu toe verrichte studies geen bevredigende antwoorden geven. Een van de belangrijkste is wel hoe een dergelijke bouwwoede kon worden gefinancierd. Ondanks het feit dat er nooit onweerlegbare bewijzen zijn gevonden, moet de zeer rijke Tempelieren-Orde een belangrijk deel van de kosten van deze tientallen jaren durende projecten gedragen hebben. De inwoners van de meestal nog niet al te grote steden (Amiens b.v. had er niet meer dan 8000) hebben de soms zeer aanzienlijke bedragen in geen geval zelf kunnen opleveren.
Een ander vraagstuk is dat van het voor de bouw benodigde arbeidspotentieel, zowel wat het aantal van de beschikbare arbeiders betreft als het vakmanschap dat nodig was voor het bouwen van de kathedralen, die in afmetingen en constructie alle voorgaande bouwwerken overtroffen. Het is in het spanningsveld rondom dit arbeidspotentieel, dat we het begin van de Compagnonnage moeten zoeken, al is die naam eerst van latere datum.

De welvaart die de kathedralenbouw met zich bracht, had in de steden enkele bij die bouw betrokken zeer machtige gilden doen ontstaan. Deze hadden met goedkeuring van de

stedelijke overheid een aantal bepalingen over de arbeidsvoorwaarden in de bouw vastgelegd, die de inkomsten van de werkzaamheden grotendeels deden binnenkomen bij een kleine groep gildemeesters. En alleen enkele vrienden en familieleden konden in de loop van jaren tot die geprivilegieerde kring doordringen. Een werknemer die niet tot die uitverkorenen behoorde, bleef zijn leven lang dezelfde plaats in het arbeidsproces innemen ongeacht zijn capaciteiten. Erger nog: in vele gevallen kon hij zonder goedkeuring van de groep gildemeesters geen ontslag nemen zonder het risico te lopen nergens in de wijde omgeving meer werk te kunnen vinden.
Al in de tweede helft van de 13 de eeuw werden stakingen gemeld, niet zozeer omwille van de beloning maar duidelijk verband houdend met de arbeidsomstandigheden van de

werknemer. Zo werd nog voor het jaar 1300 het aantal arbeidsuren per dag in de meeste plaatsen van 13 naar 12 uren teruggebracht. Daarbij moet men bedenken dat alleen op zondag niet werd gewerkt, maar ook dat het aantal feestdagen vanwege de viering van de naamdag van een heilige veel groter was dan nu: elk gilde had enkele van die heiligen als schutspatroon. En verder dat de bouw van de kathedralen en kerken in november tot stilstand kwam en pas in maart of april van het volgende jaar weer begon. De arbeiders, die soms uit geheel andere streken kwamen, gingen in de winter naar hun daar achtergebleven familie om dan in het voorjaar terug te komen.




Afb. 2: Een voorstelling van Koning Salomo (links) en een van Maitre Jaques (rechts), zoals die in eIke Cayenne van de Compagnonnage te vinden zijn. Koning Salomo is de belangrijkste 'patroonheilige' van de Compagnonnage en oorspronkelijk van het gehele bouwvak in de middeleeuwen. Hij is dan ook oorspronkelijk de 'beschermer' van die 'Devoirs', die met het bouwvak als zodanig te maken hadden. Maar al in de 14e eeuw ontwikkelden zich afzonderlijke groeperingen, die niet direct met bij werkzaamheden op de bouwplaats zelf betrokken waren, maar die wij vandaag meerals 'toelevering' zouden bestempelen.
Zij kozen Maitre Jacques als beschermheer, waarvan de geschiedenis verwijst naar de apostel Jacobus, die in het zuiden van Frankrijk overleden zou zijn (en volgens de overlevering in het Spaanse Santiago de Compostella begraven zou zijn).
In de loop van de eeuwen vormde zich nog een derde groep, die een middeleeuwse monnik als patroonheer koos, nl. Père Soubise. De drie groepen van 'Devoirs' leefden met name in de 18e eeuw nogal op gespannen voet met elkaa zodat zich vele strijdtonelen voordeden. In 1848 kwam daaraan een eind toen de groeperingen zich bij de zgn. Réconciliation verenigden en de Union Compagnonnique ontstond, waarin alle Devoirs verenigd waren.


Schrijvers als Martin Saint-Leon, die een mogelijk begin van de Compagnonnage diepgaand hebben bestudeerd, geven hierover de volgende mening: 'Wij denken dat de eerste groepen Compagnons zich nog voor het eind van de 13de eeuw gevormd hebben, samengesteld uit de handwerkslieden, die in grote aantallen naar de steden kwamen om deel te nemen aan de vele tientallen jaren durende constructie van de grote religieuze bouwwerken, waar de kunst van de gotiek nog op haar hoogtepunt was.' Jean-Pierre Bayard, die in 1977 op de geschiedenis van de Compagnonnage promoveerde, wijst op de besluiten van het Concilie van Avignon (1326), waarbij Paus Johannes XXII een aantal in de bouw ontstane groeperingen van ambachtslieden veroordeelt en daarbij verduidelijkt, dat het niet gaat om 'traditioneel gegroeide gezelschappen, die wij al eerder aanvaard hebben, en ook niet om operatieve corporaties, maar om broederschappen waarover de op het Concilie aanwezige kerkvaders slechts fragmentarische inlichtingen hebben kunnen krijgen en geen gezag over kunnen uitoefenen'.


De achtervolging van de Compagnons door Kerk en Overheid.

Het is duidelijk dat de kerk geen enkele organisatie duldde waarover zij geen macht kon
uitoefenen. Maar ook de stedelijke en landelijke overheden hadden er meer belang bij de zijde van de officiele gilden te kiezen dan die van de groepering ambachtslieden die de Compagnonnage vanaf het begin steeds is geweest, en die vele schrijvers dan ook als voorlopers van de huidige vakbonden beschouwen. Bij de stakingen en andere arbeidsconflicten in 14e en 15e eeuw zijn er nogal eens vechtpartijen tussen de Compagnons enerzijds en de politie of zelfs het leger anderzijds geweest. Dit heeft een aantal merkwaardige gevolgen gehad, waarvan wij enkele zullen noemen.

In de eerste plaats werkte geen enkele Compagnon onder de naam waarmee hij in het
doopregister van zijn geboorteplaats was opgenomen of waaronder hij in zijn woonplaats bekend was. Deze traditie bestaat vandaag nog: bij zijn opname in de Compagnonnage krijgt hij een 'schuilnaam', en met die naam is hij onder zijn vakgenoten bekend. Op de borden die bij onder restauratie staande kathedralen worden aangebracht, ziet men ook nu nog vaak die namen voor de timmerlieden, de steenhouwers of dakdekkers (die restauratie zou nauwelijks zonder de Compagnonnage kunnen plaatsvinden !). Dikwijls wordt in de 'schuilnaam' de plaats of de streek van herkomst opgenomen, zodat namen ontstaan als Parisien-le-Laurier-d'Honneur of Tourangeau-l'Ami-du-Trait of Limousin-Coeur-Fidèle of Bearnais-l'Ami-du-Tour-de-France. Deze laatste is de 'schuilnaam' van de bekende hedendaagse schrijver Raoul Vergez, die vele boeken op zijn naam heeft staan en van origine Compagnon-Charpentier is, dus eigenlijk timmerman, of beter gezegd maker van kapspanten.
Als tweede gevolg van het spanningsveld met de overheid noemen wij het concentreren van de Cayennes of werkplaatsen in de steden langs de grote rivieren. Nu zijn in Frankrijk vele grote steden gelegen aan rivieren, maar de Compagnonnage koos toch met opzet voor de ligging van haar werkplaatsen de directe nabijheid van goed bevaarbare waterwegen. In geval van een conflict met de politie (en dat kwam nogal eens voor) kon men met een boot de rivier op vluchten. In die tijd was de politie nog niet met boten uitgerust en derhalve op het water vrij machteloos. Dat ook het transport van materialen voor het uit te oefenen vakgebied in die tijd beter over water kon plaatsvinden was een bijkomend voordeel. Om ten slotte een derde punt van het spanningsveld te noemen: de Compagnonnage heeft altijd een zeer besloten karakter gehad als het haar bijeenkomsten betrof, waarbij niet-leden volledig werden geweerd om zo min mogelijk gegevens te doen 'uitlekken naar de buitenwereld'. De Compagnonnage kwam echter voldoende in de publiciteit door twee feiten: de regelmatig weerkerende optochten en de Tour de France.



De Tour de France

Een van de grote twistpunten in de middeleeuwen was het feit, dat een werknemer zonder goedkeuring van de gildemeesters niet elders kon gaan werken en daardoor soms zijn leven lang gebonden was aan een en dezelfde 'baas'. Nu paste dit grotendeels in het systeem van een maatschappij, waarin lijfeigenschap en horigen normaal waren, maar het was tevens het grote geschilpunt, dat de basis vormde van het ontstaan van de Compagnonnage.
Een van de belangrijkste voorwaarden voor de opneming in een van de Cayennes was daar om het houden van een vele jaren durende rondreis langs een aantal andere werkplaatsen: de Tour de France. Nu hadden de meeste jongeren die zich aan meldden, weinig of geen opleiding achter de rug. Sommigen konden niet lezen of schrijven en in de eerste jaren dat zij in de werkplaatsen meeliepen, werden zij 'Aspirant' genoemd, een woord dat hier de betekenis heeft van iemand, die 'aspiraties voor de toekomst' heeft.
Bij een bezoek aan enkele van de Cayennes ziet men vandaag nog, dat de daarin aanwezige werkplaatsen een opleidingsniveau voor de jongere kandidaten leveren, dat de theoretische kanten van een middelbaar of zelfs hogere technische school combineert met een direct op de praktijk gerichte ambachtelijke opleiding. We kunnen dan ook zonder meer stellen, dat een Compagnon, die zich na zijn Tour de France ergens vestigt, zich praktisch voor de rest van zijn leven geen zorgen behoeft te maken over zijn orderportefeuille aan opdrachten. Daarbij is het niet alleen de kwaliteit van zijn werk, dat onomstotelijk vaststaat, maar voor de opdrachtgever geldt ook het feit, dat onenigheid over die kwaliteit of de financiële afwikkeling voorgelegd kan worden aan een van de centrale organen van de Compagnonnage.
Op de borden, die men vandaag nog veelal aan de zijkanten van de Franse kathedralen kan vinden met de namen van de medewerkers, die vaak vele jaren lang aan de restauratie werken, valt het steeds weer op, dat vele namen door een aantal letters gevolgd worden. Dat zijn dan de leden van de Compagnonnage, zonder wie die restauratie vandaag vrijwel niet meer mogelijk was.


Na een aantal jaren dat voor iedere 'Aspirant' wisselend was, beslisten de overige leden van de werkplaats of hij geschikt was definitief in de Compagnonnage te worden opgenomen, dan wel maar elders moest trachten zijn toekomst te zoeken. Indien het antwoord positief was, onderging hij de 'Reception', d.w.z. dat hij op dat moment als Compagnon werd ingewijd. Bekend zijn enkele rellen van 'Aspirants', die het lange wachten op de 'Réception' beu waren en ook opstandjes van een aantal 'Exclus', die van een verdere loopbaan in de Compagnonnage waren uitgesloten. In de 17de eeuw vond zelfs de oprichting plaats van een eigen Compagnonnage door een groep 'Exclus', de zg. Confrèrie du Saint-Sacrament onder leiding van een zekere Henri Buch, die de oorspronkelijke Compagnonnage zoveel mogelijk probeerde te benadelen en zelfs te doen veroordelen. Had de 'Aspirant' de 'Réception' ondergaan, dan moest hij voor zijn verdere loopbaan eerst aan de 'Tour de France' beginnen. De jongeman, veelal niet ouder dan 18 jaar, was daartoe bij zijn inwijding voorzien van een aantal attributen, die hem op zijn reis te pas zouden komen. Zo had hij een diploma (paspoort genaamd) gekregen, vaak met een rand met lege hokjes, waarin de stempels van de verschillende Cayennes geplaatst moesten worden. Ook leerde men hem de paswoorden, die hem toegang tot die hem vreemde werkplaatsen moesten verschaffen en de tekens, waarmee hij zich moest bekend maken als hij een andere Compagnon ontmoette. Hij kleedde zich met een lange, meestal zwarte jas en droeg een hoge hoed met linten in de kleuren van zijn eigen werkplaats. En als onmisbaar kenmerk kreeg hij ook een 'Canne', een stok van vier voet lengte met een metalen knop en punt.
En zo ging hij dan op reis, altijd met de richting van de zon mee reizend, meestal te voet, soms een stukje met een wagen of boot meeliftend. Jong, onervaren, vaak voor het eerst zijn geboortestad verlatend, een ideale bron voor dichters, schrijvers en componisten van het romantische begin van de 19de eeuw. Goethe, Schiller, Schubert, en nog vele minder bekenden hebben de 'Wandergeselle' en de 'Gesellenreise' als onderwerp voor sommige van hun werken gekozen (in die tijd was de Compagnonnage ook in Duitsland, Belgie en zelfs in ons land doorgedrongen).




De bekende schrijfster George Sand schreef in 1841 een boek 'Le Compagnon du Tour de France', waarin zij veel van haar kennis over de Compagnonnage vastlegde, verworven door haar vriendschap met Agricol Perdiguier. Zij constateert dat in haar tijd bijna tweeduizend Compagnons op hun Tour de France waren. In dit boek geeft zij de volgende visie op dit gebeuren: 'De Tour de France, dat is de romantische periode in het leven van de
ambachtsman, het is de avontuurlijke bedevaartsreis, het dolende ridderschap. Hij die geen huis of eigendom bezit, gaat een zwerftocht langs de wegen maken, op zoek naar een bakermat onder de bescherming van een pleeggezin, dat hem voor de rest van zijn leven niet meer loslaat. Zelfs hij, die streeft naar een achtenswaardige en zekere positie in zijn geboortestreek, wil althans de kracht van zijn mooiste jaren hieraan besteden en de opwinding van het volle leven leren kennen . . .'
In de inleiding van het boek formuleert George Sand (pseud. van Aurore Dupin, baronesse Dudevant), die zelf uit een zeer gefortuneerde familie afkomstig was, de sociale achtergrond van haar studies met de woorden: 'Een ambachtsman is ook een mens gelijk aan ieder ander, en het verbaast mij zeer dat sommige mensen daar nog verbaasd over zijn'. Al in een vroeg stadium van de geschiedenis van de Compagnonnage wordt geschreven over de zeer belangrijke rol van de 'Mère' of 'Moeder'. In een bepaalde periode zelfs zodanig, dat zij het was die de belangrijke beslissingen nam en in welk verband dan wordt gezegd dat de Compagnonnage een soort van matriarchaat kende. Het is duidelijk dat de jeugdige leeftijd van de voor zijn Tour de France rondreizende Compagnon een aantal bijzondere maatregelen vroeg, waaronder die van het instituut van een soort 'jeugdherberg'. In eerste instantie moeten we de Mère dan ook zien als een jeugdherberg-moeder, die echter in de Compagnonnage al spoedig een onmisbare rol begon te spelen. Veelal werd zij daarbij geassisteerd door een 'Dame-hôtesse', een gastvrouw die ook de achting van alle Compagnons genoot, maar niet haar voorrechten bezat (vaak werd zij de opvolgster van de Mère).



Afb. 7. Diploma van een Compagnon-Charpentier, dat in juli 1848 aan hem werd uitgereikt voordat hij aan zijn Tour de France begon. De 14 stempels aan de rand van het diploma zijn aangebracht door de 14 Cayennes waar hij na 1848 gewerkt heeft.


De invloed van de Tour de France op de jeugdige Compagnon

Bezien we de rol van de Mère in de Compagnonnage dan moeten we niet vergeten, dat het Compagnon-zijn het gehele dagelijkse leven van de rondreizende jongeman vulde, zijn beroep en zijn ontspanning. Hij was ver van zijn oorspronkelijke vrienden en zijn familie en dat voor vele jaren. Had hij in een Cayenne een aantal goede vrienden gemaakt, dan was het mogelijk dat zijn leertijd daar voorbij was en hij verder moest naar een volgende werkplaats om daar in een vreemde omgeving opnieuw te beginnen. Dan was er nog een zeer bijzondere bepaling die zijn leven niet gemakkelijk maakte: gedurende de jaren, dat zijn Tour de France duurde, mocht hij niet trouwen. Deed hij dat toch, dan moest hij de rondreis beëindigen, hetgeen in de meeste gevallen zijn carriere zeer negatief beinvloedde. Ook in dit opzicht moest de Mère dus een wakend oog over haar pleegzoons houden.
De meeste Compagnons hebben later getuigd dat hun Tour de France een unieke ervaring was, waar zij niet alleen verschillende kanten van hun vakgebied hadden geleerd, maar ook als jonge man al met uiteenlopende facetten van het leven te maken kregen. Bekend zijn uit 18de en l9de eeuw de door hen gemaakte vaak primitieve schilderijen met de titel

'Herinneringen aan mijn Tour de France'. Daarop zien wij dan op een beeld bij elkaar gebracht de belevenissen van enkele jaren, meestal tegen de achtergrond van de stad van vertrek, waarheen men in de meeste gevallen terugkeerde. Op sommige van deze prenten zijn vechtpartijen afgebeeld, die dus in de ogen van de teruggekeerde Compagnon van voldoende belang waren om ze weer te geven. Nu was dat helaas een niet zelden voorkomend verschijnsel en wel met nogal verschillende achtergronden. Zo kon men op de reizen van de Tour de France door kledij en attributen zien, dat men te doen had met een 'Compagnon accepté', voorzien van papieren maar ook bekend met de paswoorden, tekens en gebaren, die hem op zijn tocht toegang tot de Cayennes moesten verschaffen. Voor een 'Exclu', die niet was geaccepteerd, een gelegenheid om zich onderweg op de jongeman te werpen en hem ertoe te dwingen zijn geheimen af te geven. Maar ook bestonden er in 17de en 18de eeuw enkele elkaar beconcurrerende Compagnonnages, oorspronkelijk begonnen met verschillende vakgebieden, die op den duur in dezelfde vakgebieden waren terechtgekomen. Wanneer nu twee leden van deze verschillende Compagnonnages elkaar ontmoetten, dan ontstonden vaak gevechten. Een bekend gezegde uit die tijd is, dat men niet voor niets de pas ingewijde Compagnon een 'Canne', een stok met een metalen punt gaf, en dat die punt niet scherp genoeg kon zijn!



Ontmoette de jonge man een Compagnon van een bevriende groep, dan moest daarop vaak gedronken worden. In de dichtstbijzijnde herberg werd bier of wijn besteld en voor het front van alle toeschouwers in de herberg ledigden zij de glazen met de armen door elkaar gestrengeld. Ook dit schouwspel was soms voor de anderen aanleiding tot opmerkingen die tot vechtpartijen leidden. Was de Compagnon die zijn Tour de France maakte, in een Cayenne aangekomen, dan werd hem direct onderdak verschaft en werd geprobeerd hem in de naaste omgeving aan werk te helpen; in de meeste gevallen bij een ervaren lid van dezelfde werkplaats. Lukte dat na een aantal dagen niet, dan ontving hij een 'Viatique', een bepaalde som uit de reiskas van de Cayenne, en hij vervolgde zijn reis naar de volgende plaats. Hij kwam dan niet meer in deze eerste plaats terug, want dan zou hij tegen de richting van de zon in moeten gaan en dat was tegen de regels. Nu kan men in een dergelijke bepaling allerlei symbolische betekenissen gaan zoeken, maar de voornaamste achtergrond was een zuiver praktische. Er waren nl. steeds enkele honderden en soms meer dan duizend jongelieden op hun Tour de France onderweg, zonder dat ergens een centrale registratie hun plaats vastlegde. Gingen ze allen in één richting, dan was de kans het grootst dat zij op hun route de juist opengevallen plaats zouden bezetten van degenen die naar een volgende werkplaats waren vertrokken. Was er voor een in een Cayenne aangekomen Compagnon wel werk, dan ontving hij daarvoor een betaling, die echter niet al te hoog was; een minimum jeugdloon bestond nog niet. Hij kon zijn onderdak, kleding en voedsel ervan betalen, maar moest zich onthouden van uitspattingen. De Cayenne stond borg voor hem, ook als hij schulden maakte, en een van de belangrijkste taken van de Mères was het toezicht houden op de financiele handelingen van de jonge Compagnon. Had hij zijn schulden niet afgelost op het moment waarop zijn leertijd in een bepaalde Cayenne voorbij was, dan had hij hiertoe nog een korte tijd daarna de gelegenheid. Bleef de schuld dan nog bestaan, dan werd hij tot 'Renégat' (afvallige) verklaard en werd een bericht gestuurd aan de volgende Cayennes die hij op zijn Tour de France zou bezoeken, die dan hun deuren voor hem sloten.


Organisatie en gebruiken.

Omdat het bij de Compagnonnage ging om een vakorganisatie, moesten al in een vroeg stadium onderlinge afspraken worden gemaakt, die de eigen beslissingen van de Cayennes aan banden legden. Maar ook kwamen al in de 14de en 15de eeuw regelingen met de officiele gilden tot stand, door de overheid bekrachtigd. Bekend zijn in dit verband de zg. Statuten van Straatsburg en het Livre des Métiers van Et. Boileau, maar vooral ook de Statuten van Regensburg in Duitsland uit 1459.



Uit deze laatste citeren we enkele artikelen:
- Als een gildemeester een werk aanneemt, waartoe hij niet in staat wordt geacht dan mag geen enkele Compagnon bij hem in dienst treden.
- Indien een gildemeester een klacht over het werk ontvangt, dan mag hij die niet zonder meer alleen in behandeling nemen, maar moet zich daarvoor tot twee andere gildemeesters richten en tot de Compagnons die op de bouwplaats werken.
- Geen enkele gildemeester mag openlijk met een andere vrouw samenwonen dan diegene met wie hij officieel gehuwd is.
- Als op een werk een of meer Compagnons aankomen die bezig zijn aan hun opleidingsreis, dan moet de gildemeester hun dezelfde uitkering voor hun werk geven als ze in een vorige werkplaats ontvingen.
- Een gildemeester mag geen enkele Compagnon aannemen, die een losbandig leven leidt, of die met een vrouw van slechte zeden samenwoont, of die niet minstens een maal per jaar gaat biechten, of die zijn geld aan het spel verkwist.
- Als een Compagnon in dienst wil treden bij een gildemeester die niet in het bezit is van een 'gilde-registratieboek', dan kan de meester hem in dienst, mits hij de Compagnon zo spoedig mogelijk bij het gildebestuur laat inschrijven.
Bij het bovenstaande moet wel worden opgemerkt, dat overal waar wij in de vertaling het woord Compagnon gebruikt hebben, in de oorspronkelijke Duitse tekst het woord 'Geselle' stond, dat in het Nederlands met 'Gezel' vertaald zou moeten worden. Overigens blijkt uit deze Statuten van Regensburg dat in het midden van de 15de eeuw de Compagnonnage ook in Duitsland ruim verbreid was en dat er eveneens een 'Tour d'Allemagne' plaatsvond.
In Frankrijk is de laatste tientallen jaren veel aandacht besteed aan het eerder genoemde Livre des Métiers, het 'boek over de ambachten'. Het is tot stand gekomen door een opdracht van Louis IX aan Etienne Boileau in l258 om door het vaststellen van reglementen een eind te maken aan de chaotische toestanden, die er in de diverse ambachten heersten. In 1269 was het boek klaar, geschreven op 158 pagina's perkament, waarop de rechten en plichten van de ambachtslieden vastgelegd zijn. Daardoor kreeg het hoofd van de politie in de diverse steden macht om in te grijpen in ontstane misstanden. Sommige schrijvers gaan ervan uit, dat dit ambachtenboek een ommekeer in de verhoudingen bij verschillende beroepen heeft veroorzaakt. Zonder zo ver te gaan dat men in het verschijnen van dit boek het begin van de Compagnonnage wil zoeken, is er toch een verband tussen de erdoor veroorzaakte herstructurering van de beroepen en de wens tot onderlinge samenwerking van de ambachtslieden in diverse vakgebieden.




De rituele inwijding

De Compagnonnage, zoals die in de 13de of 14de eeuw is ontstaan rond de bouw van de kathedralen in West-Europa, werd geplaatst onder het patronaat van Koning Salomo. Zoals al eerder opgemerkt, noemde de groepering zich nog niet Compagnonnage; zij nam de naam 'Devoir' aan, wat met 'Plicht' of 'Plichtsbesef' kan worden vertaald. Die naam is voor bepaalde onderdelen van de Compagnonnage tot vandaag blijven bestaan. Die eerste groepen noemden zich de 'Enfants de Salomon', en verenigden steenhouwers, timmerlieden, dakdekkers en andere direct op de bouwplaats werkzame ambachtslieden.
Daarnaast vormden zich de 'Enfants de Maître Jacques' uit de meubelmakers, de
slotenmakers, de smeden, de schoenmakers, de touwslagers en vele anderen. Volgens een veel verbreide legende namen zij als schutspatroon de apostel St. Jacques (Jacobus), naar wiens graf in Santiago de Compostella (Noord-Spanje) in de middeleeuwen honderdduizenden pelgrims trokken. Hij was in die dagen het voorbeeld voor de 'gewone man', in tegenstelling tot St. Jean (Johannes), die als schutspatroon gold voor de meer ontwikkelden. De opstand van de onontwikkelde boeren en andere mensen 'van het gewone volk' in 1358 kreeg daarom de naam 'Jacquerie'. Een andere lezing over Maître Jacques ziet hem als een medewerker van Hiram Abiff, betrokken bij de bouw van de Tempel van Salomo, die na vele omzwervingen zijn einde vindt in Sainte-Beaume, een plaatsje in Zuid-Frankrijk.
Ten slotte ontstond een derde groep Compagnons, de 'Enfants du Père Soubise', waarin vele beroepen waren verzameld zoals bakkers, klompenmakers en textielarbeiders. Nu liepen deze beroepen bij de verschillende groepen door elkaar; zo waren b.v. de timmerlieden rond 1800 bij alle drie vertegenwoordigd, wat nogal wat spanningen gaf. In het midden van de 19de eeuw heeft Agricol Perdiguier zich veel moeite gegeven de verschillende groeperingen te verenigen en hij is erin geslaagd een Union Compagnonnique des Devoirs Unis tot stand te brengen.
Indien wij wat dieper op de gebruiken ingaan, dan is het belangrijkste kenmerk van de
Compagnonnage de rituele inwijding die de 'Aspirant' ondergaat, wanneer hij als Compagnon wordt aanvaard, alvorens hij aan zijn Tour de France gaat beginnen. Het is de enige inwijding die men kent, zoals men eigenlijk ook maar één graad kent, en bij de diverse vormen van die inwijding in de Compagnonnage zijn nogal wat onderlinge verschillen. Hoogtepunten zijn de eed van trouw aan de betreffende 'Devoir' en de belofte van absolute geheimhouding, waarmee de kandidaat belooft niets van het ervarene aan het papier te zullen toevertrouwen, noch op een lei te tekenen of in steen te hakken.


En na het vermelden van de straf van het afsnijden van de keel, het verbranden van het lichaam en het verstrooien van de as in de wind, komt een merkwaardige toevoeging: 12 'Ik beloof een dolk te zullen steken in de borst van diegene die meinedig zou worden
(qui deviendrait parjure)'. Met dit laatste werd in het verleden de Compagnon verantwoordelijk gesteld voor het verraad van de geheimen door zijn mede-Compagnons! De eed werd daarna in vroegere eeuwen met het bloed van de kandidaat bezegeld door hem een prik in de linkerarm te geven en een druppel bloed te laten vallen op een papier met zijn naam.
De kandidaat die geblinddoekt, ontdaan van alle metalen en gedeeltelijk ontkleed in de ruimte is binnengebracht, wordt tijdens de eed de stok boven het hoofd gehouden die zijn verdere leven zal fungeren als zijn 'Canne'.
Deze stok, oorspronkelijk precies vier voet (dus ca. 120 cm.) lang, is voorzien van een metalen punt en knop, de laatste soms fraai versierd. Hij diende oorspronkelijk om een gebouw op te meten, maar werd daarnaast gebruikt als wandelstok (zij het een beetje grote) en als wapenstok voor de verdediging tijdens de Tour de France. Aan de knop ziet men vaak de linten in de kleuren van de Cayenne bevestigd, dezelfde die de Compagnon ook om zijn hoge hoed heeft geknoopt. De functionarissen (van officieren kan men eigenlijk niet spreken) van de Cayenne dragen cordons en sjerpen in dezelfde kleuren: deze attributen noemt men bij elkaar 'Les Couleurs' (de kleuren).

Naast Koning Salomo speelde Maître Jaques eveneens een zeer belangrijke rol in de Compagnonnage. Daarmee wordt de apostel Jacobus bedoeld, die weliswaar in Santiago de Compostella begraven zou zijn, maar in het zuiden van Frankrijk in La Sainte Beaume door moordenaars gedood zou zijn. Deze plaats is tot op heden een bedevaartsoord voor de Compagnons, die allen ten minste één maal in hun leven een bezoek aan dit dorp brengen.



Le Trait

Een van de bijzondere kenmerken van de Compagnonnage is het gebruik van een geometrisch systeem voor hun werkzaamheden, waaraan in de opleiding zeer grote aandacht wordt geschonken. Raoul Vergez schrijft hierover in een van zijn boeken: 'Le Trait (letterlijk vertaald: het trekken van lijnen, het uitslaan van plattegronden en doorsneden) is een heilig beginsel van de Compagnons, die de kennis ervan lange tijd zorgvuldig van de ene generatie Compagnons aan de andere hebben doorgegeven voordat ze aan de openbaarheid werd prijsgegeven.' In het bouwvak gebruikten de Compagnons het onderricht in Le Trait om hun leerlingen aan een selectie te onderwerpen en het was uiteindelijk Le Trait die de doorslag gaf of een ambachtsman tot de Compagnonnage werd toegelaten. Wij moeten hierbij bedenken, dat het grootste deel van de aspirant Compagnons maar een zeer geringe vooropleiding had.
Ook in het Regius Poem en het Cooke Manuscript van rond 1400 werd op het belang van deze 'Geometry' gewezen en werden zelfs de termen 'Geometry' en 'Masonry' als elkaars synoniemen door elkaar gebruikt. Villard de Honnecourt, de middeleeuwse architect die rond 1235 zijn beroemde album tekende, begint een apart deel van zijn voorbeeldtekeningen met de tekst: 'Hier begint de methode van Le Trait om een tekening te kunnen maken, zoals de kunst van de geometrie ons leert om gemakkelijker te kunnen werken.'
Raoul Vergez komt met de constatering dat aan een kathedraal destijds al ambachtslieden uit zeer vele verschillende vakgebieden medewerkten zoals steenhouwers, timmerlieden, makers van kapspanten, smeden, meubelmakers, vloerenleggers, dakdekkers, slotenmakers en nog vele anderen. Zij allen maakten hun betrokken onderdelen van het bouwwerk in hun eigen werkplaatsen en om dat geheel ineen te laten passen moest aan de bouw wel een zeer strak geometrisch maatsysteem ten grondslag liggen. Van Albrecht Durer verscheen in 1532 een boekje Instructies voor de maatvoering met passer en winkelhaak en in 1535 zijn Leerboek van de Geometrie, waarin een aantal zaken aan de orde werd gesteld die in die tijd alleen in de Compagnonnage bekend waren. Maar in 1640 schreef Gerard Desargues een boek getiteld La Pratique du Trait à Preuve, dat vrijwel de gehele kennis van 'Le Trait' bevatte en dat hij alleen maar moet hebben kunnen samenstellen met behulp van ingewijde Compagnons uit het steenhouwersvak. Het veroorzaakte in Frankrijk in de wereld van de Compagnonnage ronduit een groot schandaal en in de erop volgende jaren verscheen een groot aantal geschriften van zowel voor als tegenstanders van Desargues.
Men moet hierbij niet vergeten dat Le Trait voor de Compagnon niet alleen maar een min of meer technisch hulpmiddel was, maar dat het voor hem een esoterische waarde had. Het uitgangspunt was immers de cirkel die hij met zijn belangrijkste werktuig, de passer, kon trekken en die al in de vroege middeleeuwen een symbool van de Schepper was.






Afb. 12. Wanneer een Compagnon na zijn terugkeer van de Tour de France bij zijn oorspronkelijke Cayenne aan het werk was gegaan, dan moest hij eerst een 'proeve van bekwaamheid' afleggen door het maken van een 'model' op zijn vakgebied. Als dat gereed was, werd het in optocht door de straten van zijn stad rondgedragen. Op de huidige Franse televisie ziet men dergelijke gebeurtenissen enkele malen per jaar, waarbij vooral het lopen met de als wandelstok veel te hoge 'canne' opvalt.


Openbaarheid en verbreiding

Zoals al eerder opgemerkt, waren de bijeenkomsten van de Compagnonnage zeer besloten. Tot het midden van de 19 eeuw was in de buitenwereld nauwelijks enige kennis daarover beschikbaar. Toch was de Compagnonnage allesbehalve een 'geheim genootschap': van vrijwel iedere Compagnon was zijn lidmaatschap in zijn omgeving bekend. Dit kwam door het veelvuldig in het openbaar treden van de verschillende groepen van de Compagnonnage, waar bij zij in 'vol ornaat' door de straten van hun stad trokken. In de eerste plaats waren er de feestdagen van de diverse Cayennes in de uiteenlopende vakgebieden. Maar daarnaast werd elke gebeurtenis gevierd die daartoe aanleiding gaf. Een van de belangrijkste was het in het openbaar ronddragen van een ‘meesterstuk'.
Wanneer een Compagnon van zijn Tour de France was teruggekeerd, moest hij zijn
verworven capaciteiten tonen en hij begon daartoe aan een 'proeve van bekwaamheid ', waaraan hij naast zijn dagelijkse arbeid soms meer dan een jaar werkte. In het Musée du Compagnonnage in Tours aan de Loire staan er vele opgesteld van de meest uiteenlopende vakgebieden: modellen op schaal van de kapspanten van een groot gebouw, over enkele verdiepingen doorlopende gedraaide trappen, zeer gecompliceerde en fraai versierde sloten met bijzondere sleutels, enz. Het gereedkomen van deze bijzondere 'meesterstukken' werd in het verleden in het openbaar gevierd en het object werd in triomf door de straten van de stad gedragen om het aan iedereen te tonen. Ook brachten de Compagnons van bepaalde vakgebieden soms spectaculaire werken tot stand, waarbij het een ieder werd duidelijkgemaakt, dat het hier ging om een prestatie van leden van de Compagnonnage. Vooral van een aantal van de in de 19de eeuw tot stand gekomen grotere gebouwen in Frankrijk is bekend dat de Compagnonnage er een hoofdrol in speelde.
Het meest bekende bouwwerk in Parijs is zonder twijfel de Eiffeltoren, die bij de
Wereldtentoonstelling van 1889 de toenmalige Franse president in de gelegenheid moest stellen om de nationale driekleur op 300 m. hoogte te laten wapperen. Minder bekend is echter het feit, dat deze spectaculaire staalconstructie het werk was van ruim 300 leden van de Compagnonnage, die meer dan twee jaar aan dit project gewerkt hebben, gedeeltelijk in de tekenkamers in barakken aan de voet van de toren, en anderen in de
constructiewerkplaatsen ernaast.





Gustave Eiffel had in Frankrijk met enkele groepen in staalconstructies gespecialiseerde Compagnons al een aantal viaducten en bruggen gebouwd en vond daarom gehoor bij een aantal financiers, om midden in Parijs een toren te bouwen die de hoogste van de wereld zou zijn. 'Frankrijk zal het enige land in de wereld zijn met een vlaggestok, die de driekleur op 300 m. hoogte zal doen waaien.' In zijn plannen rekende Eiffel daarbij op degene, die voor hem reeds vele gewaagde constructies tot stand had gebracht: Eugene Milon, een Compagnon met de naam Guépin-Le-Soutien-De-Salomon. Eiffel heeft later de eerste gesprekken tussen hem en Milon weergegeven. Daarbij wees Milon op de moeilijkheden die de Compagnons hadden gehad bij het plaatsen van de ijzeren torenspits tien jaar daarvoor op de Dom van Ulm op een hoogte van 140 m. Milon raadpleegde daarop eerst de leden van zijn Cayenne, waarvan er enkelen zowel aan het Suez-kanaal als aan het Panama kanaal gewerkt hadden. Het schijnt vooral Mad. Poupelard, de Mère van de Cayenne te zijn geweest die de doorslag in de discussies gaf en die op de uitdaging voor de Compagnonnage wees. Een kern van 40 leden van de Compagnonnage werd aangewezen onder leiding van Milon, bijgestaan door Henri Georges genaamd L'Enfant-Du-Genie die zelf de torenspitsen van de Notre-Dame en de Sainte-Chapelle geheel gerestaureerd had. En zo begon de Compagnonnage aan de bouw van de toren, waarvan Eiffel de schetsen en de eerste berekeningen had gemaakt, maar waarvan Milon en zijn Compagnons de verdere uitwerking voor hun rekening namen: de duizenden detailtekeningen met hun berekening van de profielen, de knooppunten en bout- en nagel-verbindingen.





Beelden van de Compagnonnage in schilderkunst en literatuur.

Op vele schilderijen uit de 15e en 16e eeuw vinden we afbeeldingen van werklieden, die het bouwvak uitoefenen. Merkwaardig zijn daarbij de grote aantallen voorstellingen van de bouw van de Toren van Babel. Hierboven geven we een detail weer van een schilderij van Pieter Brueghel, waar de bewerking en het transport van natuursteen is weergegeven.
Ook in de literatuur (en in de muziek) is de rondtrekkende Compagnon aanleiding geweest van nogal sentimentele interpretaties, vooral in Duitsland, waar de 'Wandergeselle' in geschriften en liederen een belangrijke rol heeft gespeeld. In Frankrijk is het de al eerder genoemde George Sand geweest, die in haar boek 'Le Compagnon du Tour de France'
(uit 1841) een beeld geeft van de Compagnonnage uit haar tijd. De band van deze beroemde schrijfster met de Compagnonnage is van dien aard geweest, dat nog steeds jaarlijks een vertegenwoordiging van Parijse Cayennes op haar sterfdag een bezoek aan haar graf op het kerkhof Père Lachaise brengt. Een enkele vertaalde pagina uit het boek van George Sand:
'Iedereen weet dat een deel van de arbeidersklasse lid is van enkele geheime genootschappen, niet erkend door de wettelijke overheid, maar wel getolereerd door de politie en die de naam van Devoirs hebben aangenomen. Devoir, het geen hier als synoniem voor (geheime) leer staat. De grote en waarschijnlijk enige geheime leer van deze gezelschappen is die van het beginsel van de onderlinge verbondenheid van de leden. Misschien steunde dit beginsel in vroegere eeuwen oorspronkelijk op een aantal religieuze achtergronden, op dogma's en symbolen die door de geest van die tijd gemspireerd werden. Het grootste deel van hun riten wordt beheerst door de symboliek van de bouw van de Tempel van Salomo.
Verder heeft de behoefte om in een eigen besloten gemeenschap bij elkaar te komen al in een ver verleden deze broederschappen van werklieden doen opbloeien, naast de wens om de privileges van het uitgeoefende ambacht te handhaven. Om diezelfde redenen hebben ze door de eeuwen heen hun werk zaamheden weten voort te zetten en zich aan een bepaalde organisatiestructuur weten te onderwerpen. Maar de uiteenlopende interesses hebben tot scheuringen geleid als gevolg van de verschillende vormen en ambachten. Bovendien hebben deze Devoirs de invloeden ondergaan van hedendaagse andere instellingen. Toch zijn bij enkele Devoirs teksten van de oude middeleeuwse wetten tot op heden bewaard gebleven en kan men ze nog onveranderd in de huidige reglementen terugvinden. Sommige oude Devoirs zijn verloren gegaan, zoals die van de kleermakers, die men in de huidige Compagnonnage niet meer terugvindt. Andere hebben een grote verandering ondergaan tijdens de Franse revolutie: verschillende gilden die in die tijd pas zijn ontstaan, hebben titels, gebruiken en tekens van de oude Devoirs overgenomen. Deze laatste hebben ze na de revolutie uitgestoten en erkennen ze nog steeds niet. Daarbij beroepen ze zich op hun vanouds verkregen rechten om de met eer beladen insignes te dragen en de titels van hun voorgangers voort te zetten.



De leden van de Compagnonnage zijn uitermate trots op hun lidmaatschap en gaan soms tot het uiterste, als die trots gekwetst wordt. Daaruit zijn de heftige krijgstonelen tussen de Devoirs onderling ontstaan, die tot een aaneenschakeling van gevechten en veroveringen hebben geleid. Die een soort geloofsijver teweegbrachten, een fanatisme vol heldhaftige drama's en barbaarse geschriften, met oorlogs- en liefdesliederen, met herinneringen aan overwinningen en ridderlijke vriendschappen. Iedere Devoir kent zijn Ilias en zijn martelaars-verheerlijking.' (Uit George Sand: Le Compagnon du Tour de France, 1841).

Naast de Franse vorm van de Compagnonnage is er al op een vroeg tijdstip een aantal
gegevens bekend over de Duitse, die op zijn beurt vestigingen in andere landen heeft veroorzaakt. Als wij de verzameling van stempels van de Compagnonnage bekijken, bijeengebracht door Jean Beaufrère (Berry La Douceur), dan valt in Duitsland een gezelschap op dat voornamelijk bestond uit timmerlieden en dat een 'Siegel der fremden Zimmergesellen' als stempel heeft gebruikt voor de diploma's van zijn leden. Merkwaardig is dat deze Zimmergesellen vestigingen hebben gehad in Parijs, in Duinkerken en Marseille. Ook in ons land zijn er enkele werkplaatsen geweest, getuige de zegels uit Den Haag en Sluiskil, terwijl er een groot aantal zegels uit Belgie en Zwitserland zijn.
Van de Franse Compagnonnage vinden wij trouwens ook vele dependances in andere landen, waaronder Zwitserland, Argentinie en Belgie, in welk laatste land de Compagnonnage nog heden, evenals in het moederland zelf, een bloeiend bestaan leidt. Zo is er in februari 1972 in Brussel een landdag geweest van vertegenwoordigers van de Franssprekende Compagnons uit West- en Zuid-Europa. Ten slotte vinden wij in de collectie-Beaufrère een aantal stempels met een bijzonder karakter, zoals dat van de Direction Generale, dat vanaf het midden van de 19e eeuw op verschillende plaatsen gevestigd is geweest en bij verandering van zetel een nieuw stempel nodig had (op het laatste uit 1973 daterende stempel staat geen plaatsnaam meer) en dan vele soorten stempels en zegels met de plaatsnaam La Sainte Baume, gelegen in Zuid Frankrijk bij St.-Maximin. Deze plaats geldt vanouds als een bedevaartsoord voor de Compagnons, die allen minstens eenmaal in hun leven een bezoek aan dit dorp brachten. De traditie van de Compagnons de Maître Jacques zegt namelijk, dat op die plaats hun schuts- patroon (de apostel Jacobus) gestorven zou zijn evenals Maria Magdalena.



De Compagnonnage en het labyrinth in de middeleeuwse kathedralen.

Het labyrinth speelt een belangrijke rol in de Compagnonnage, hetgeen verband houdt met de riten van de inwijding. Wat was dat labyrinth, dat oorspronkelijk in alle kathedralen in het hart van het schip op de vloer aangebracht was ? Al in de oudheid werd het beschreven, o.a. door Plinius. Volgens hem was het labyrinth oorspronkelijk op Kreta een onderdeel van de weg, die bij de inwijdingsriten van de Griekse mysterien gevolgd moest worden. Deze weg was bochtig en speelde zich deels onderaards af, maar leidde uiteindelijk naar een in het midden gelegen ruimte, waar op bevel van Koning Minos een vraatzuchtig monster, de Minotaurus, was opgesloten. Dit monster moest om de 9 jaar een aantal jongelieden
verslinden om 'tot rust te komen' en bracht onder de jeugd van Kreta telkens weer schrik en verwarring. Uiteindelijk slaagde de held Theseus erin de Minotaurus te doden en ook de weg uit het labyrinth weer terug te vinden omdat zijn vriendin Ariadne hem een draad had gegeven die hij vanaf de ingang had afgerold.
Het is duidelijk dat we hier met een legende te maken hebben, die een psychologische achtergrond heeft: de psychoanalyticus Freud heeft in het begin van deze eeuw een uitvoerige verhandeling over de Theseus-figuur geschreven. Daarin maakt hij duidelijk, dat de Minotaurus een noodzakelijk stadium in de inwijdingsriten voorstelde en dat de overwinning op dit monster, dat half mens en half stier was, met de 'wedergeboorte' van de ziel van de Theseus (het 'Ik' van de mens zelf) gepaard ging.
Opgemerkt moet worden, dat het labyrinth, zoals dat op de vloer van de middeleeuwse kathedralen en als symbool in de Compagnonnage voorkomt, geen enkele overeenkomst vertoont met het doolhof dat met dezelfde naam in tuinen van de 17e en 18e eeuw als speels element zonder symbolische betekenis aangelegd werd. Bij het 'echte' labyrinth bestaan geen doodlopende gedeelten, waarbij men op zijn schreden moet terugkeren, maar is er een doorgaande 'draad van Ariadne' die men moet volgen om uiteindelijk in het midden te komen. Die draad is in de vorm van donkergekleurde tegels (zoals in Amiens) of als lichtgekleurde tegels tussen een donkere rand (zoals in Chartres) op de vloer aangebracht. De overeenkomst met de reizen van de Compagnon ligt daarin, dat het volgen van die draad een rondgaande beweging rond het midden doet ontstaan. Eerst vanuit de ingang in het Westen (de wereld van alledag, het materiële leven) in de richting van het midden, dat bijna bereikt wordt, om dan via vele heen- en weergaande slingeringen naar de buitenste rand van het labyrinth geleid te worden, zo ver mogelijk van het midden verwijderd. Die buitenste rand, in de Compagnonnage de rand van de buitenste duisternis genaamd, is het symbool van de beproevingen die de mens moet onder gaan, alvorens hij in het midden van het labyrinth kan komen.


Symbolen uit de planten- en dierenwereld.

Bij de emblemen die in de Compagnonnage gebruikt worden, spelen vele dieren een
belangrijke rol. De achtergrond daarvan is zonder twijfel terug te voeren op het Bestiarium, een boek met legendes over dieren, dat in de late middeleeuwen zeer verspreid was en dat ook de dierensymbolen bij de decoratie van de kathedralen in belangrijke mate beinvloed heeft. Veelvuldig zien we een bij of een groepje van (meestal 9) bijen, al of niet in combinatie met een bijenkorf, afgebeeld op de prenten die de Compagnons als herinnering aan hun Tour de France hebben vervaardigd. Al in het oude Egypte was de bij het symbool van de koninklijke waardigheid, hetgeen Napoleon ertoe gebracht heeft de bij als zijn symbool in te voeren. Dat hierbij de werkzaamheid van de bij de hoofdrol voor zijn symboliek speelt, is wel duidelijk, maar ook wordt verwezen naar de perfecte organisatie van een bijenvolk, naar de geometrie van de honingraat en de honing die ze opleveren.
Van de voorbeelden uit de plantenwereld worden de acacia, de laurier en de wijnstok het meest afgebeeld. Vraagt men een Compagnon wat ze betekenen, dan is het antwoord meestal, dat het de symbolen zijn van de hemelse liefelijkheid, de vrede en de kracht. De acacia, die als een bloeiende mimosa zelfs in de droge streken aan de rand van de woestijn voorkomt, heeft gedurende het gehele jaar zijn fijne groene bladeren, hetgeen in het Midden-Oosten als symbool gezien wordt van het nooit eindigende leven, de onsterfelijkheid. Volgens de overlevering was de doornenkroon van Christus uit de takken van de acacia samengesteld, terwijl ook de Ark des Verbonds van het hout van de acacia gemaakt zou zijn. Maar ook werd in de middeleeuwse glas-in-lood vensters de boom van Jesse, de stamboom van Christus als acacia afgebeeld. De boom was verder de band tussen hemel en aarde, die de vier elementen voorstelde. Hij had immers zijn wortels in de aarde, waaruit hij het water opzoog, en zijn kroon in de lucht, die als onderdeel van de hemel werd beschouwd. Zijn leven eindigde in deze symbolische denkwijze dan in het vuur, het vierde element. Ook de laurierbladeren betekenden een verband met de onsterfelijkheid in de middeleeuwen, een betekenis die naar de oudheid teruggaat, waar Apollo steeds met een krans van deze bladeren getooid werd. De wijnstok met de druif en de wijn vormen symbolen, die in het Christendom alom aanwezig zijn, waarbij de wijn de rol van het vergoten bloed vervult. In de Compagnonnage is dat hetzelfde en is de wijn in het algemeen het symbool van het spirituele element, waarvan men in de middeleeuwen meende, dat het bloed de zetel daarvan in het lichaam vormde.



De Canne.

De canne - een staf of stok - is een van de belangrijkste attributen van de Compagnon en vanaf zijn opneming in de Cayenne tot aan zijn dood het bewijs van zijn onverbrekelijke band met de Compagnonnage. Op alle afbeeldingen uit het verleden zien we de Compagnon met zijn canne in de hand, zowel in bijeenkomsten in de Cayenne, bij de regelmatig gehouden optochten als op weg voor zijn Tour de France. De stok is dan voorzien van de Couleurs, de linten met de kleuren van zijn Cayenne. De stok of staf is in de geschiedenis altijd een teken van gezag en macht geweest. Nadat de staf oorspronkelijk als hulpmiddel bij het lopen diende van diegenen die met een zekere macht bekleed waren, werd het al gauw een teken van die macht zelf. In Frankrijk zien we vooral in 17de en 18de eeuw de vorsten en leden van de adel zich met een staf voortbewegen, of die simpel als een symbool in de hand houden. Wanneer een hoffunctionaris officieel het bericht van het overlijden van de koning moest mededelen, dan brak hij voor de ogen van de verzamelde menigte de staf van de koning over zijn knie in stukken alvorens hij het 'Le Roi est mort' uitsprak. Ook aan het einde van de Middeleeuwen werd er in een verslaglegging over gesproken, dat de bouwmeester met een stok in de hand rond het bouwwerk gingen met die stok aanwijzingen gaf zonder zelf actief aan de werkzaamheden op de bouwplaats deel te nemen.
Toch moet er bij de canne een andere achtergrond naar voren gebracht worden, die verschilt van de 'wandelstok' die een teken van waardigheid werd. De canne van de Compagnon is namelijk in de meeste gevallen precies vier voet lang, dus ruim 120 cm en dan van een metalen, meest zilveren knop en punt voorzien. In het verleden heeft de canne dan ook als meetlat gediend om de grote maten op een bouwwerk uit te zetten. Of dat nu in werkelijkheid veel voorkwam of niet is niet belangrijk, want ook hier geldt dat de canne als symbool van die maten kon gelden. Bezien we namelijk het uitgangspunt van de Compagnonnage, nl. de bouw van de grote kathedralen in de Middeleeuwen, dan waren van al die bouwwerken de basismaten van breedte en lengte een rond aantal voeten groot. Zo heeft Jean Villette kunnen constateren, dat het grondplan van de kathedraal van Chartres met behulp van cirkels moet zijn samengesteld met een diameter van precies 100 voet. Deze gewoonte gaat terug naar de Griekse en Romeinse Oudheid, waar we van vrijwel alle bouwwerken die maat kennen. Zo is de gevel van het Parthenon in Athene precies 100 voet breed en de inwendige overspanning van het Pantheon in Rome 12 x 12 = 144 voet. Bij veel tempels uit die tijd zijn die maten veelvouden van 4 voet, wat doet veronderstellen, dat die 4 voet te maken had met de lengte van een gestandaardiseerde maatlat.


De Quattuor Coronati.

Vooral onder de steenhouwers-Compagnons treft men veel ingehouwen of op schrift gestelde tekens aan, die zoals de hierboven staande op het getal 4 gebaseerd zijn. In de 14e eeuw werden de Quattuor Coronati al als de schutspatroons van de steenhouwers genoemd en in het laat-middeleeuwse boek de Legenda Aurea (de Legende Dorée of Gouden Legende) wordt ruime aandacht aan hun geschiedenis besteed. Vooral in Italie verspreidde de legende zich onder de beoefenaren van het bouwvak: in Sienna werd in de Dom een kapel voor ze opgericht en een aparte feestdag voor de bouwgilden op 8 november ingelast. Ook in de statuten van Regensburg uit 1459 zijn ze in de aanvang genoemd. Sommige leden van de Compagnonnage gaan zo ver, dat ze elke afbeelding van de Quattuor Coronati in het verleden als een nagelaten erfenis van hun voorgangers-Compagnons beschouwen. Bewijzen daarvoor zijn echter niet te vinden. Integendeel, ook in de wapens van de 16e en 17e eeuwse bouwgilden vinden we de Quattuor Coronati soms afgebeeld. Daarnaast zijn ze in de beeldhouwwerken en schilderingen van vele kerken te vinden, ook in ons land. Zo werden ze in 1950 bij de restauratie van het plafond in de kerk in Appingedam ontdekt, voorzien van hun attributen passer, winkelhaak, troffel en hamer en beitel.
In Frankrijk heeft echter de verering van de Quattuor Coronati als schutspatroon van de gilden nooit bestaan. Daaruit zou dus (ten onrechte) door sommige Compagnons de conclusie getrokken zijn, dat ze uitsluitend binnen de Compagnonnage vereerd werden. Ook wordt nog steeds een plaats in de kathedraal St.-Sernin in Toulouse als de laatste rustplaats van hun stoffelijke resten aangewezen. Daarover moeten we opmerken, dat er vele rustplaatsen van een en dezelfde heilige verspreid over Europa zijn, waarvan bij elke plaats beweerd wordt, dat het de enige is. Vooral door de contacten met de wereld van het Midden-Oosten, die de Compagnonnage in de 14e en 15e eeuw had (toen hun leden meewerkten aan de versterkingen op Rhodos, Cyprus en andere bolwerken van de Johanniter Orde), zijn vele legenden in de Compagnonnage binnen geslopen.
In de ritualen van de steenhouwers wordt bij een uiteenzetting over de betekenis van het getal 4 naar de 4 gekroonden verwezen. Na het vragen naar de namen van de Quattuor Coronati gaat het vraag- en antwoordspel als volgt verder:

V. - Waarom zijn zij met z'n vieren? A. - Omdat er 4 uiteinden aan het kruis zijn.
V. - Is er geen vijfde? A. - De vijfde is de eerste.
V. - Wat is het getal van de vijfde? A. - Het is het getal van de Compagnonnage.
V. - Kunt U dat getal voor mij tekenen?

De Compagnon die het antwoord moet geven, strooit wat zand op de vloer, neemt dan zijn canne en tekent er een cirkel mee in het zand. Nadat hij aan ieder heeft getoond dat de getekende figuur een cirkel is, trekt hij door het middelpunt van de cirkel een lijn van Oost naar West en een andere lijn van Noord naar Zuid, waarmee hij de cirkel in vieren deelt.






De reis naar Ste Baume

Algemeen wordt aangenomen, dat de Compagnonnage ontstaan is uit de groeperingen bouw-vakarbeiders, steenhouwers en timmerlieden, die direct op de bouwplaats betrokken waren bij de totstandkoming van de Middeleeuwse kathedralen. Deze ‘Devoirs’ kwamen al in 14 eeuw door stakingen in de openbaarheid en bleken succes te hebben met hun weerstand tegen de misdragingen van de heersende klasse.
Deze houding ‘sloeg over’ naar andere groeperingen, die bij de bouw van de kathedralen betrokken waren, maar waarvan de dagelijkse werkzaamheden zich niet direct op de bouw-plaats zelf afspeelden. Daaronder werden de meubelmakers gerekend, de smeden, de slotenmakers, touwslagers, enz. Ook zij stichtten hun ‘Devoirs’, die lange tijd geheel los van de eersten opereerden. Deze tweede groepering koos als schutspatroon volgens een in die tijd veel verbreide legende de apostel Jacobus, die na de kruisiging van Christus naar het zuiden van Frankrijk was gevlucht en daar na een aantal jaren in een plaatsje
Ste Baume in het heuvelachtige gebied boven Marseille gestorven zou zijn. Volgens een andere lezing zou deze ‘St Jaques’ oorspronkelijk een medewerker van Hiram Abif zijn geweest, betrokken bij de bouw van de Tempel, die na de voltooiing naar Frankrijk zou zijn gegaan.
Omdat Koning Salomo geen enkele relatie tot Frankrijk had, begon de Maître Jacques legende ook door te dringen in de Devoirs van de ‘bouwvakarbeiders’ en zo ontstond de gewoonte dat elke Compagnon ten minste éénmaal in zijn leven de plaats ging bezoeken waar de apostel Jacobus gestorven zou zijn. Hij zou begraven zijn in het Spaanse Santiago de Compostella, waar in de middeleeuwen jaarlijks grote aantallen pelgrims uit geheel West-Europa zijn graf gingen bezoeken.
Vanuit de haven van Marseille vertrok lange tijd jaarlijks een stoet Compagnons uit alle streken van Frankrijk te voet naar La Ste Baume, voorzien van hun gekleurde linten om hun relatie met het bedevaartsoord te bevestigen. Ook werd het een gewoonte dat een Compagnon,
die zijn Tour de France maakte, indien mogelijk een bezoek aan La Ste Baume in zijn rond-reis opnam.



Naast de Devoirs van Koning Salomo en die van Maître Jaques vormde zich ook nog een derde groep, die van Père Soubise. Tussen de Devoirs onderling ontstond een steeds groter wordende naijver, gepaard gaande met gevechten van de Compagnons onder elkaar. Pas in 1848 kwam daaraan een eind door de 'Réconciliation', waarbij de verschillende Devoirs gezamenlijk één 'Union Compagnonnique' vormden (afgebeeld op onderstaande prent).






De Compagnonnage buiten Frankrijk

Zoals uit vele laat-middeleeuwse afbeeldingen blijkt, heeft de Compagnonnage een
belangrijke rol gespeeld bij het bouwen van versterkingen in het Heilige Land ten tijde van de Kruistochten en op de eilanden Rhodos en Cyprus in de latere eeuwen. Maar al op een vroeg tijdstip is er een aantal gegevens bekend over de Duitse vorm van de Compagnonnage, die op zijn beurt vestigingen in andere landen heeft veroorzaakt. Als wij de verzameling van stempels van de Compagnonnage en verwante instellingen bekijken, bijeengebracht door Jean Beau-frère (Berry La Douceur), dan valt in Duitsland een gezelschap op, dat voornamelijk bestond uit timmerlieden en dat een 'Siegel der fremden Zimmergesellen' als stempel heeft gebruikt voor de diploma's van zijn leden. Merkwaardig is dat deze Zimmergesellen vestigingen hebben gehad in Parijs, in Duinkerken en Marseille. Ook in ons land zijn er enkele werkplaatsen geweest, getuige de zegels uit Den Haag en Sluiskil, terwijl er een groot aantal zegels uit Belgie en Zwitserland zijn. Van de Franse Compagnonnage vinden wij trouwens ook vele dependances in andere landen, waaronder Zwitserland, Argentinie en België, in welk laatste land de Compagnonnage nog heden, evenals in het moederland zelf, een bloeiend bestaan leidt. In de tweede helft van de 19e eeuw ontstond er in vele landen een strijd tussen de Compagnonnage en de opkomende vakbonden. Het gevolg daarvan was, dat in een aantal landen zoals het onze de Cayennes hun deuren moesten sluiten. In Frankrijk zelf bleven de werkplaatsen van de Compagnonnage overeind, niet in het minste door de belangrijke rol, die ze bij de restauratie van de vele historische bouwwerken speelden.




Het beeld van het bouwvak.

Degenen, die aan de totstandkoming van een kathedraal meewerkten, lieten hun stempel op vele wijzen achter in de diverse onderdelen, waaraan zij soms tientallen jaren hun dagelijkse arbeid hadden verricht. Maar een bijzondere vorm vinden we vandaag terug in de gebrandschilderde ramen, die in enkele kathedralen het geweld van de eeuwen doorstaan hebben.
Het fraaiste voorbeeld daarvan is het raam in de zuidgevel van de kathedraal van Chartres, waarvan we hierboven een afbeelding hebben gereproduceerd.
Het raam kreeg de naam 'Miracles de Notre Dame' en werd geschonken door de
steenhouwers, die aan de kathedraal hadden meegewerkt en die daarmee wilden duidelijk maken, dat voor hen de kathedraal de 'herbouw' van de Tempel van Salomo was. Links van het midden zien we de bewerking van de ruwe steen, die in die tijd buiten het terrein van de kathedraal plaatsvond. Geheel rechts is het transport van de bewerkte steen afgebeeld en in het midden de montage van de steen op de bouwplaats.
Een bijzonder beeld vinden we in de onderste cirkelvormige figuur, waar de architect met de passer in zijn rechterhand de voorbereidende tekeningen maakt, bijgestaan door twee
adviseurs, waarvan de rechtse het gewaad van een geestelijke draagt. De architect was voorheen een van de steenhouwers zelf, maar is hier onafhankelijk van hen weergegeven.


Home Page | De Loge | Vrijmetselarij | Geschiedenis | Diversen | Leden | Contact | Site Map


Back to content | Back to main menu