Vrijmetselarij Loge Groot Nederland


Go to content

De geschiedenis van de Engelse vrijmetselarij

Geschiedenis

De onweerstaanbare opgang van een dominee.

John Theophile Desaguliers (1683-1744) was een kort, dik mannetje. Volgens een tijdgenoot had hij gratie noch regelmaat in zijn gelaatstrekken en was hij uiterst bijziend, terwijl een andere hem beschreef als een welwillende verschijning, met een vol en goed gemodelleerd gelaat, een brede neus en een krachtige mond, en met een blik vol goedheid en intelligentie.
Hij was geboren in La Rochelle, het bastion van de Franse hugenoten, waar zijn vader predikant was. In 1685, na de opheffing van het Edict van Nantes, waren zijn ouders met hem naar Engeland gevlucht. Van zijn vader kreeg hij een klassieke en meertalige opvoeding, doordrongen van de leer van Calvijn. Nadien trok hij naar Oxford. Hij was er een zo briljant student, dat hij weldra docent werd.

Hij volgde hierbij John Keill (1671-1721) op, die de voornaamste vulgarisator was van de revolutionaire theorieën van Isaac Newton (1642-1727). Desaguliers nam Keills doceerwijze over: het uitvoeren van fysicaproeven die met filosofische en mathematische beschouwingen aan mekaar gepraat werden. Aanschouwelijk onderricht avant la lettre!
Die methode viel in de smaak en zodra hij zich in Londen gevestigd had, gebruikte Desaguliers ze om voordrachten voor een ruimer publiek te geven. Adel en burgerij en zelfs de koning kwamen zijn lezingen en experimenten bijwonen. De wetenschappelijke wereld zag in hem een begaafde leerling van Newton. De grote Meester vereerde hem met zijn vriendschap en werd peter van één van zijn kinderen. Desaguliers was goed op weg een Londense persoonlijkheid te worden.
In 1714 werd hij lid van de Royal Society of Sciences, waarvan Newton de voorzitter was, en werd hij zelfs conservator van de collecties van de vereniging en haar voornaamste en bezoldigde uitvoerder van experimenten. Ook de grote architect William Talman (1650-1719) vertrouwde hem zijn collectie antiques toe. Zo beschikte Desaguliers in zijn ruime woning in Westminster over een soort privé-museum voor kunsten en wetenschappen en zijn reputatie groeide.
In zijn vaders voetspoor aanvankelijk calvinistisch predikant, trad hij tot de Anglicaanse kerk toe. Zijn activiteiten als dominee bleven evenwel tot een minimum beperkt. Hij verkreeg de prebende van de St Lawrence Church in Whitchurch (Middlesex), die toebehoorde aan James Brydges, eerste hertog van Chandos (1673-1744) wiens huiskapelaan hij werd. Beide functies gaven hem een vast inkomen, voor weinig te presteren diensten. Chandos had in Whitchurch het indrukwekkende Cannon House gebouwd, naar ontwerpen van o.m. de grote architecten John James (1672-1746) en James Gibbs (1682-1754). In de prachtige kerk waar Desaguliers af en toe preekte, stond van 1718 tot 1721 het koor onder leiding van de huiscomponist, die niemand minder was dan Georg Friedrich Haendel (1685-1759). De grote schrijvers Alexander Pope (1688-1744) en Jonathan Swift (1667-1745) behoorden tot de intimi van de hertog en waarschijnlijk ontmoette Desaguliers ze bij zijn baas. Pope werd trouwens vrijmetselaar en Swift wijdde aan het genootschap een satirisch en goed gedocumenteerd werkje. Chandos speelde geen rol in de vrijmetselarij, maar zijn zoon, markies Henry van Carnarvon (1708-1771) werd in 1738, ongetwijfeld door bemiddeling van Desaguliers die één van zijn leermeesters was geweest, tot grootmeester aangesteld.
Desaguliers werd een veelschrijver, zowel van origineel werk als van boeken die hij dank zij zijn goede talenkennis in het Engels kon overzetten. De onderwerpen die hij behandelde, waren zeer uiteenlopend: een traktaat over militaire versterkingen, een studie over de beste manier om schoorstenen te bouwen, een filosofisch gedicht ter ere van Newton, boeken over geneeskunde, elektriciteit, wiskunde, filosofie, optiek en veel andere meer. Zijn grotere werken, zoals zijn Experimentele Filosofie, vermelden trots de vóórintekenaars, onder wie de koning en het puik van de aristocratie.
Desaguliers was geen origineel denker, maar een handig vulgarisator van nieuwe theorieën, niet het minst die van de grote Newton. Hij was ook de uitvinder van een planetarium, dat volgens het systeem van Copernicus de afstand tussen de hemellichamen aanschouwelijk voorstelde. Van alle kanten werd op zijn vindingrijkheid en kennis een beroep gedaan. De stad Londen raadpleegde hem over de heropbouw van Westminster Bridge, de stad Edinburg over een nieuwe waterleiding, het Lagerhuis over een betere ventilatie van het parlementsgebouw en het leger dankte aan hem een ingenieus mechanisme voor het snel reinigen van grote kanonnen. Voor de York Water Company trad hij op als adviseur en hij zorgde ervoor dat er in de kastelen van de hertog van Chandos op alle verdiepingen stromend water was. Hij nam ook een octrooi op een door hem uitgevonden stoommachine, dienstig voor distillateurs en moutdrogers. Desaguliers was dus geen kamergeleerde, maar iemand die zich thuis voelde in talrijke en uiteenlopende materies en milieus. Hij was daarbij een liefhebber van spijs en drank en kende hierin volgens één van zijn biografen grens noch maat, zodat hij tegen het einde van zijn leven zo rond als een ton was geworden.
Dit is de man die vanaf de aanvang en tot aan zijn dood telkens weer op de voorgrond trad, wanneer de vrijmetselarij ter sprake kwam.

De ware vader van alle vrijmetselaars.

Er bestaat geen absolute zekerheid, maar een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, dat Desaguliers het brein is geweest achter het ontstaan van de georganiseerde vrijmetselarij. Alles wijst in die richting. De publicatie van de Constituties gebeurde met een voorwoord van zijn hand. In 1719 werd hij de derde grootmeester en toen vanaf 1721 leden van de aristocratie zich tot grootmeester lieten aanstellen, was hij gedurende verscheidene jaren de plaatsvervangende grootmeester en dus de werkelijke leider van Grand Lodge. De redevoeringen op de jaarlijkse feestbijeenkomsten werden vaak door hem gehouden.
Desaguliers werd tevens de rondreizende ambassadeur van de vrijmetselarij. Van de tournees die hij ondernam voor wetenschappelijke lezingen, maakte hij gebruik om aan de Orde internationale uitstraling te bezorgen. In 1721 of 22 zou hij bezoek gebracht hebben aan een op dat ogenblik nog operatieve metselaarsloge in Edinburg, die hij bekeerde tot de speculatieve vrijmetselarij. In 1731 was hij in Holland. Hij zat er een bijeenkomst voor waar Frans van Lotharingen(1708-1765), later gemaal van keizerin Maria Theresia, werd ingewijd. In 1735 was hij aanwezig met de hertog van Richmond op een zitting in de loge de Bussy in Parijs. Tijdens zijn continentale reizen kwam Desaguliers in contact met aanzienlijke geleerden zoals Montesquieu (1689-1755) in Frankrijk en Herman Boerhaave (1668-1738) in Holland. Zij spraken vol lof over hem, wat natuurlijk ook zijn aanzien in Engeland ten goede kwam. Te midden van de vrij bescheiden burgers die met hem de vrijmetselarij stichtten, zoals de eerste twee grootmeesters, de onbemiddelde Anthony Sayer en de belastingontvanger Georges Payne (1680-1757), schitterde Desaguliers als een uitzonderlijk licht.
Wilde het jonge genootschap zich steviger ontwikkelen, dan was het noodzakelijk uit te stijgen boven de maatschappelijke stand van de oorspronkelijke leden. Een vereniging kon zich in die tijd pas vrij en ongehinderd ontwikkelen, als ze op adellijke beschermheren mocht rekenen. Grand Lodge ging er dan ook toe over, jonge leden van de aristocratie tot grootmeester te verkiezen. Het is niet zeker, maar zeer waarschijnlijk, dat Desaguliers in 1721 John, tweede hertog van Montagu (1688-1749), voor het grootmeesterschap kon winnen. De hertog woonde in het weelderige Montagu House, dat in 1754 het British Museum werd. John Montagu was geen belangrijk politiek figuur, maar wel een aanzienlijke society persoonlijkheid. Hij oefende hoge functies uit aan het Hof en was prestigieus gehuwd met de jongste dochter van John Churchill, de beroemde hertog van Marlborough (1650-1722). Hij behoorde tot het type edellieden dat zich voor de wetenschappen interesseerde en zich graag op gelijke voet stelde met de geleerden. Montagu was lid van de Royal Society of Sciences en op eigen verzoek werd hij lid van de Royal College of Physicians, waar hij zich voor anatomie en bloedsomloop interesseerde. Naast deze ernstige kant had hij ook iets kwajongensachtig, wat hem bij de jolige vrijmetselaars zeker van pas gekomen zal zijn. Het grootste plezier beleefde hij, als hij bezoekers onverwacht nat kon spuiten of het bed van zijn gasten met jeukpoeder kon bestrooien. In Montagu had de jonge vrijmetselaarsorde alvast een patroon van hoog gehalte aangetrokken.
Tegen het einde van Montagu’s mandaat werd een machtsgreep gedaan door de kleurrijke en onevenwichtige Philip, hertog van Wharton (1698-1731). Hoewel iedereen het erover eens was, dat deze compleet onregelmatig was aangesteld, bevestigde Montagu zijn opvolger, op voorwaarde dat Desaguliers tot plaatsvervangend grootmeester zou worden benoemd. Wharton aanvaardde dit met tegenzin en sloeg trouwens enkele maanden later de Tempeldeur achter zich dicht.
De twee volgende grootmeesters, Francis Scott, graaf van Dalkeith (1700-1749) en Charles Lennox, hertog van Richmond (1701-1750), allebei rechtstreekse afstammelingen van koning Charles II en twee van die zijn maîtresses, behoorden tot de kennissenkring van Desaguliers: hun echtgenotes waren meter van zijn kinderen. Hij bleef ook hun plaatsvervangend grootmeester. Nog later zou Desaguliers kapelaan worden van kroonprins Frederick (1708-1751) en in 1737 wijdde hij hem in de vrijmetselarij in. Voortaan zouden talrijke leden van het koningshuis tot de loge behoren en er vaak een vooraanstaande functie vervullen.
Dit is dus de man die algemeen erkend wordt als de voornaamste initiator van de speculatieve vrijmetselarij. Weliswaar wordt nog soms geredetwist of hij er in 1717 al bij was (we hebben boven gewezen op de onzekerheid van de historische gegevens over de stichting), maar dat hij zeker vanaf 1719 de teugels in handen had en de vrijmetselarij op beslissende wijze organiseerde, is duidelijk.

De historische context.

In het jaar 1716 was Engeland aan het herstellen van de zoveelste burgeroorlog. Sedert het schisma van 1534, waarbij Hendrik VIII (1491-1547), de Verdediger van het Geloof, de kerk in Engeland had losgescheurd van Rome, was de geschiedenis van het land een bijna ononderbroken verdriet geweest, met godsdienstoorlogen en burgeroorlogen. Elisabeth I (1533-1603) had haar katholieke nicht Mary, Queen of Scots (1542-1587), laten onthoofden. Karel I Stuart (1600-1649) werd in 1649 door de Roundheads van Cromwell (1599-1658) gehalsrecht. Na de restauratie van de monarchie in 1660 had Karel II (1630-1685) een relatieve vrede kunnen bewaren, maar zijn broer Jakob II (1633-1701), die hem in 1685 opvolgde, verbrodde alles. Hij had het ongelukkige idee gehad zich tot het katholicisme te bekeren en in 1688 werd hij door zijn protestantse dochter Mary (1662-1695) en haar gemaal Willem van Oranje (1650-1702) van de troon gestoten: de Glorious Revolution Dit betekende meteen het einde van de absolute monarchie.
De aristocratie, gegroepeerd in de twee concurrerende parlementsfracties van Whigs en Tories, greep de macht. Dit was niet het einde van de broedertwisten. Nadat een ver familielid, de hertog van Hannover, in 1714 tot Georges I van Engeland (1660-û1727) was gekroond, dacht de Stuartpretendent James III (1688-1766) dat het ogenblik gekomen was om de troon terug te winnen. Hij ontscheepte in Schotland en kon tot begin 1716 een deel van het eiland bezetten. Uiteindelijk werd hij verslagen en moest hij opnieuw naar Frankrijk vluchten. Talrijk waren de aristocraten, vooral onder de Tory’s, die voor de Stuarts partij hadden gekozen, en enkelen bekochten het met hun leven. Men kan zich de vijandschappen voorstellen die dit binnen de relatief beperkte groep van de grote families veroorzaakte.
De hevige strijd tussen de clans bleef dan ook jaren voortduren, en werd niet alleen aangemoedigd door de blijvende mogelijkheid van een nieuwe Stuartinvasie, maar ook door de hevige vijandschap tussen koning Georges II (1687-1760) en zijn zoon, de kroonprins. Wie van kamp wou veranderen, in de hoop op grotere macht en fortuin, had keus te over! Religie liet de grote heren tamelijk onverschillig, maar bij burgerij en kleine adel werden de politieke keuzes bijkomend bemoeilijkt door de godsdiensttwisten.
De Anglicaanse kerk was een staatsgodsdienst geworden, die alle moeite had om een authentieke religiositeit te behouden en te bevorderen. Dit had de weg geopend voor talrijke sekten en afwijkende protestantse belijdenissen, die aan de zucht naar een waarachtig en veeleisend geloof tegemoet kwamen. De lutheranen, de calvinisten, de wederdopers, de shakers, de quakers, de methodisten en zoveel anderen die men andersdenkenden, non-conformisten of dissenters noemde, vergaderden vaak in de clandestiniteit. Hetzelfde gold voor de katholieken.
Daarbij waren er dan nog de verlichte geesten, die al die godsdienst voor bekeken hielden, en niet ver meer verwijderd waren van een ongeloof dat ze voorzichtigheidshalve als deïsme of als redelijk geloof betitelden. John Locke (1632-1704) lag met zijn common sense philosophy ten grondslag aan een uitgebreide literatuur die het vrijdenken bevorderde. Het grootste schandaal wellicht werd verwekt door de Nederlander geworden Frans-Vlaming Bernard de Mandeville (1670-1733), die in 1705 in Londen zijn Fabel van de bijen publiceerde, waarin hij afrekende met het godsgeloof, met de onsterfelijkheid, met de menselijke vrijheid en met iedere vorm van moraliteit.
Tussen de extremen in kunnen we Desaguliers en zijn geestesgenoten ergens in het midden situeren. Hij heeft het best zijn overtuiging uitgedrukt in het voorwoord dat hij in 1718 schreef voor de vertaling van Het regt gebruik der wereldbeschouwingen, geschreven door de burgemeester van Purmerend, Bernard Nieuwentijt (1654-1718). Hij verheugde zich erover dat het boek handelde over de natuurlijke godsdienst en niet over het geopenbaarde christendom. Desaguliers was ongetwijfeld gelovig, en hij bestreed de filosofen en de vage deïsten, maar tezelfdertijd, als zoon van de Reformatie en als vijand van het katholicisme, stond hij achterdochtig tegenover elke vorm van georganiseerde kerk die de geopenbaarde Waarheid in exclusiviteit beweerde te hebben.
Desaguliers geloofde in God, maar in een God die niet alleen de Jahweh van de Bijbel was of de Messias van het christendom, maar de vanzelfsprekende Heerser en de natuurlijke Meester die boven alle vormen van concrete godsdienstuitingen stond; de God die zodanig was, dat men geen openbaring behoefde om hem als een zekerheid aan te nemen, de God van Newton, de Regelaar van alle wetten die de wereld beheersten, in één woord: De Opperbouwmeester van het Heelal. Het is deze houding die in de Plichten van de Vrijmetselarij vanaf het eerste artikel tot uiting kwam: Hoewel men vroeger de Metselaars verplichtte de godsdienst te belijden van hun land, welke die ook mocht zijn, vindt men het thans geschikter ze enkel te verplichten tot die godsdienst waar alle mensen het over eens zijn, hun bijzondere meningen aan hen zelf overlatend (...) welke ook hun gezindte of kerk weze. Het was meteen vanaf de oorsprong een element dat in de vrijmetselarij zou inwerken en de onvermijdelijke botsing met de Kerken veroorzaken.

Londen, stad van clubs en sociëteiten.

Londen was in het begin van de achttiende eeuw een felle stad. De tekeningen van de onwezenlijk mooie huizen en paleizen in Georgian style, de gratievolle en elegante portretten van fijn uitgedoste dames en heren, vergezeld van hun poedels, zoals Godfrey Kneller (1646-1723), Gainsborough (1727-1788), Reynolds (1728-1792) en zoveel anderen ze hebben geschilderd, mogen niet doen vergeten dat de vroeg achttiende-eeuwse maatschappij in Engeland er één was van wreedheid en oorlogen, van hongeroproer en rebellie, van criminaliteit en meedogenloze repressie. Londen was een vuile, moerassige, stinkende stad. Het grootste deel van de bevolking leefde in primitieve omstandigheden. De bestendigheid van grote epidemieën maakte van leven en overleven één grote loterij. Burgerij en kleine adel, die het ontstaan gaven aan de vrijmetselarij, leefden wel comfortabeler, maar ook voor hen bleef de kans op een gezond en lang leven dé onzekerheid van elke dag.
De relatief kleine nederzetting die Londen in de zeventiende eeuw nog was, groeide uit tot een aanzienlijke metropool. Alles wat naam had, in de eerste plaats de aristocratie, moest er zijn paleis, huis of appartement hebben. Allen die faam hadden of wilden verwerven, stroomden er toe. Geërfde of eerlijk verdiende fortuinen maten er zich met avonturiers die aan het kansspel, de criminaliteit of de slavenhandel hun nieuwe welstand dankten. Duizenden, zoniet tienduizenden welvarende of op krediet terende burgers leefden in deze grote stad het ijdele leven van de achttiende-eeuwse honnête homme.
In de stad krioelde het van de bierhuizen, taveernen en koffiehuizen. In de achter- en bovenzaaltjes hielden ontelbare clubs en kransjes hun bijeenkomsten. Voor de meeste bezoekers was kaart- of kansspel, drank of vrolijk gezelschap de enige bedoeling. Ze konden er ook enkele van de meer dan twintig Londense dagbladen lezen. Anderen zochten meer gekruide genoegens: de bordelen, al dan niet vermomd in keurige rendez-voushuizen, waren zeer talrijk en zelfs de liefhebbers van mannelijke partners vonden hun gading in tientallen gespecialiseerde cafés.
De jeunesse dorée kwam bijeen voor wilde braspartijen, zoals die van de Hell’s Angels Clubs, en de upperclass ontmoette mekaar in de Gentlemen’s Society, de Kit Kat Club en andere exclusieve verenigingen. Velen vergaderden om politieke complotten te smeden. Het geheim genootschap van de Sealed Knot was wijd verspreid in Engeland en groepeerde talrijke Stuartaanhangers. De Oak Apple Society en de Calves’ Head Club waren, naast andere, verzamelplaatsen voor de nostalgische aanhangers van de onttroonde monarchie en van de King from over the water.
De meeste verenigingen opereerden evenwel open en bloot. Hun activiteiten en doelstellingen waren van zeer uiteenlopende aard. Er waren veel literaire of muzikale kransjes, men interesseerde zich voor astronomie of astrologie, voor proeven van fysica en scheikunde en zelfs voor allerlei vormen van alchemie, waarzeggerij of toverij. Zoals zowat overal in Engeland en op het vasteland waren ook in Londen de sociétés de pensée, de cabinets littéraires, de Academies en de Learned Societies in de mode. Een niet onbelangrijk aantal onder hen groepeerde de geïnteresseerden in bepaalde aspecten van de geschiedenis en van het verleden. In 1718 werd de Society of the Antiquaries gesticht, die zich wijdde aan de studie van munten en medailles, maar ook van fossielen en planten. Rond John Arbutnoth (1667-1735), de uitvinder van het John Bull-personage, ontstond de Martinus Scriblerus club, waar o.m. Jonathan Swift en Alexander Pope deel van uitmaakten. Speciaal gericht op alles wat met de oudheid en meer bepaald met de klassieke architectuur te maken had, bestonden de Society of Dilettanti, de Society of Virtuosi of St Luke, de Order of Resurrectionists, de Order of the Book en nog veel andere. Trouwens, al in 1625 was een Order of the Oak tot stand gekomen, die zich tot doel stelde oude monumenten te beschermen.
De Freemasonry was dus geen uitzondering en zal de deelnemers eraan niet hebben overvallen als buitenissig of vreemd. Het was integendeel heel gewoon dat de gentlemen die mekaar regelmatig in dezelfde club ontmoetten, eraan dachten aan hun gezelschap een eigen profiel te geven en het boven de naamloosheid te verheffen.

De alchemie van het succes.

Wat heeft ertoe bijgedragen dat de vrijmetselarij op korte tijd nationaal en na een paar decennia wereldwijd succes had? Dit was namelijk niet vanzelfsprekend, want de meeste gelijksoortige initiatieven bleven lokaal en hadden slechts een korte levensduur. De eerste reden is ongetwijfeld te zoeken bij de dynamische mannen die de vrijmetselarij in de beginjaren op dreef hielpen. Vanaf de stichting hadden ze de ambitie zich niet te beperken tot een club met bescheiden uitstraling, zoals er zo veel waren, maar een organisatie uit de grond te stampen die overal afdelingen zou oprichten en honderden, wellicht zelfs duizenden leden zou tellen.
De vier clubs van 1717 waren in 1723 al tot vijfentwintig aangegroeid en vanaf 1725 begon de grote uitbreiding, zowel over het geheel van de Britse eilanden als in alle landen en werelddelen waar de Engelse aanwezigheid een geschikte voedingsbodem bood. In de geest van de tijd zochten de clubleden een thema, een allegorie, waarmee zij de vereniging een eigen gelaat konden geven. Hun oog viel op het bouwvak en dit bleek een haast geniale keuze te zijn. Niet alleen lag ze in de lijn van de belangstelling voor monumenten en klassieke architectuur (wie alleen de geschiedenis in het boekje van Anderson las, kon waarschijnlijk concluderen dat dit de hoofdbedoeling was), maar het bouwvak en alles er rond bleek een uitstekende basis te bieden voor het ontwikkelen van een symboliek die kon worden toegepast op het leven zelf.
Okk anderen probeerden een systeem te ontwikkelen op basis van een centraal gegeven, maar hadden minder succes. De Tobbacological Society nam de symboliek van de tabaksplant als basis voor morele instructies, maar dit bleek niet ver te leiden. Het Genootschap van de Gormogonen, dat als concurrent van de vrijmetselarij in 1724 werd opgericht, zocht het in een soort verwaterde Chinese wijsheid, en ook dit viel maar magertjes uit. In hetzelfde lokaal waar in 1716 besloten was om de vrijmetselarij te stichten, werd in 1717 de Most Ancient Order of the Druïds opgericht, die de oude Keltische tradities als inspiratiebron nam.
Op het continent werden later pogingen ondernomen om het hout en het bos als thema te nemen in de Ordre de la Fenderie en in 1738 werd in Wenen een Orde van de Mopsen opgericht, die de kwaliteiten van trouw die men bij de hond aantreft, als leidraad nam. Deze pogingen mislukten en tonen a contrario aan dat het succes van de vrijmetselarij niet noodzakelijk verzekerd was.
Waar haalden de initiatiefnemers concreet hun inspiratie? Vaak is gezegd, en zeker niet zonder reden, dat de lectuur van het utopische boek van Francis Bacon, The New Atlantis, het eerste uitgangspunt is geweest. Een dergelijk boek behoorde tot de traditionele lectuur van de learned gentlemen. Het baadde in dezelfde geest als de vrijmetselarij: esoterische en hermetische toestanden, allegorische verhalen, verheerlijking van de rede en de redelijkheid, onderverdeling van de bewoners in graden en klassen, enz. Het middelpunt van het Atlantiseiland was het Huis van Salomo en dit klinkt erg vertrouwd bij de lezing van alles wat in de vrijmetselarij om en rond de Tempel van Salomo werd opgebouwd.
Zodra de beslissing genomen was om de vrijmetselarij op te richten, en niet vroeger, ging men op zoek naar oude documenten en naar reglementen van de operatieve vrijmetselarij, die als inspiratiebron konden dienen. Op de bijeenkomst van 24 juni 1718 vroeg grootmeester Payne dat de broeders oude geschriften of verslagboeken zouden gaan opsporen nopens de metsers en de metselarij, teneinde de gewoonten der vroegere tijden te leren kennen Voor zoveel nodig, is deze zin een bijkomend bewijs dat de vrijmetselarij een origineel en nieuw initiatief was, dat niet uit de operatieve metselaarsgilden was gegroeid. Ze had trouwens met die gilden, of wat er nog van overbleef, geen contacten. De nieuwbakken vrijmetselaars vergaderden in taveernen en voor hun jaarvergadering in Londen trokken ze zelfs niet naar Masons’ Hall, het gildenhuis van de metselaars, maar naar Stationers’ Hall, het gildenhuis van de boekhandelaars en later naar Merchant Taylors’ Hall, het gildenhuis van de kleermakers.
Het is evenwel duidelijk dat de nieuwe vereniging een aanzienlijke inspiratiebron vond in de documenten die op de oude maçonnerie betrekking hadden en dat ze er alles uit haalde wat haar nuttig leek. De vroegere metselaarsgilden hadden, zoals iedere beroepsorganisatie, hun eigen reglementen. Heel wat van die oude documenten was, gelet op de teleurgang van de gilden, in particuliere handen of in archieven terechtgekomen, en daar ging men ze opdiepen. De grote lijnen ervan werden overgenomen en aangepast. Hierdoor kwam een vrij halfslachtige tekst tot stand. Een aantal elementen werden behouden die naar de beroepsactiviteiten van de metselaars verwezen, ook al hadden die geen concrete inhoud meer voor de speculatieve vrijmetselaars. Anderzijds werden nieuwe elementen ingebracht die noodzakelijk waren voor de werking van een genootschap dat zich als société de pensée wilde ontwikkelen. In de oude documenten vonden de vrijmetselaars herhaalde verwijzingen naar het beroepsgeheim. Het overnemen van deze oude verplichting en het toepassen op de nieuwe doelstellingen en werking is wellicht de geniaalste vondst geweest.
Het geheim, het zweren van eden, het gebruiken van paswoorden, geheime tekens en geheimschriften, waren werkwijzen die in anderhalve eeuw oorlogen en godsdiensttwisten dagelijkse kost waren geworden. De Engelse bourgeois was erop verzot en elke vorm van geheim prikkelde zijn nieuwsgierigheid. Het geheim was in de beginjaren van de vrijmetselarij niet zo veel zaaks. De bijeenkomsten van de loges werden aangekondigd in de dagbladen, elk jaar hield men een plechtige stoet door de straten van Londen en de Constituties liet Anderson zo ruim mogelijk verspreiden, want de opbrengst ervan was voor hem persoonlijk. In latere jaren heeft men evenwel op het geheim verder kunnen bouwen en is gebleken dat hiermee de stichters aan de loges een aanzienlijke aantrekkingsmogelijkheid hadden gegeven.
En tenslotte was er al heel vlug het beschermheerschap van hoge heren. Zonder aristocratisch peterschap betekenden burgerverenigingen niet zo veel. Een lord of hertog tot hoofdman en beschermheer hebben, was de betrachting van ieder genootschap dat zich wilde affirmeren. Niet alleen rekende men op zijn financiële steun, maar vooral betekende hij een bescherming tegen de mogelijke achterdocht van de politie en een referentie bij het werven van nieuwe leden.
Naast het originele van de metselaarsidee, die een schat aan symbolische mogelijkheden bood, richtte de vrijmetselarij zich ook op andere, meer traditionele activiteiten die aan de vereniging inhoud en zin moesten geven. Het uitgebreid feestvieren was er één van. Het inzamelen van gelden voor goede werken was er een ander. Dit hield onder meer in dat men noodlijdende broeders ter hulp kwam, zodat het lidmaatschap van de loge ook een vorm van bijstandsverzekering inhield.

Een genootschap in relatieve peis en vrede.

De verdere geschiedenis van de vrijmetselarij in Groot-Brittannië is nogal vlug geschreven. De loges zwermden uit, tot er in bijna elke gemeente een werkplaats bestond. Schotland en Ierland richtten hun eigen Grootloges op. De leden werden geleverd door de middenstand, waarvan de leden blij waren mekaar regelmatig te ontmoeten in een sfeer van hartelijke vriendschap.
Vanaf 1739 ontstond een schisma in de Engelse vrijmetselarij. Vanuit de Ierse en Schotse loges werd de oprichting aangemoedigd van een Grand Lodge of England according to the Old Institutions, die zich in 1751 de oudste, the Antients, noemde en de oudere Grand Lodge als Moderns naar de tweede rang poogde te dringen. De ruzie lijkt vooral ontstaan te zijn rond ritualenkwesties, waarbij de Antients aan de Moderns verweten dat ze te veel van de middeleeuwse tradities afweken en nauwelijks verschilden van een gewone gezelligheidsvereniging.
Ook de deïstische tendensen werden bekritiseerd, en de Antients keerden terug naar een meer uitgesproken christelijk geloof, waarbij veel meer de geopenbaarde God van het Oude en Nieuwe Testament werd aanbeden dan wel die abstracte godheid die men De Opperbouwmeester van het Heelal noemde.
Het was niet de enige concurrentie waarmee de eerste Grand Lodge af te rekenen had. In York ontstond in 1725 een Grand Lodge of All England, in Zuid-Engeland in 1777 een Grand Lodge of England South of the River Trent en in Londen een Scottish Grand Lodge. Alleen de Antients konden zich handhaven en bleven tegen het eind van de 18de eeuw de enige maar belangrijke tegenstrevers van de oorspronkelijke Grand Lodge. Ook zij slaagden erin aanzienlijke beschermheren te verwerven, vooral in de kringen van de Schotse aristocratie. Van 1771 tot 1813 hadden ze achtereenvolgens als grootmeesters drie hertogen van Atholl, die tezelfdertijd grootmeester waren van de Grand Lodge of Scotland. De tweedracht werd door velen als nutteloos en zinloos aangevoeld.

VRIJMETSELARIJ EN THEÏSME, DEÏSME, AGNOSTICISME EN ATHEÏSME THEÏSME

Het geloof in een in de wereld werkende en als schepper boven de mens staande, zelfbewuste, persoonlijke, levende God.
De reguliere loges van Angelsaksische signatuur zijn ontegensprekelijk theïstisch, méér zelfs: monotheïstisch. United Grand Lodge of England houdt "Het geloof in de Opperbouwmeester en Zijn geopenbaarde Wil" voor.
De Belgische Reguliere Grootloge: "De vrijmetselarij bevestigt het bestaan van God. Ze eist van al haar leden dat zij deze bevestiging aannemen".
Er is wel enige afzwakking van het Godsgeloof in de verklaringen die men eraan toevoegt. United Grand Lodge: "De vrijmetselaars geloven in de God zoals zij Hem zien. Reguliere Grootloge van België: "De vrijmetselarij legt geen enkele definitie van God op. Zij vraagt aan nieuwe leden ook geen verklaringen of toelichtingen over het Principe".
Er wordt hiermee bedoeld dat men de God van elke monotheïstische godsdienst kan aanbidden, zolang het maar een geopenbaarde en persoonlijke God is. Onvermijdelijk leiden een aantal vrijmetselaars hieruit af dat ze in de Opperbouwmeester gewoon een Principe kunnen zien en dat dit niet verplicht tot het geloof in een persoonlijke God en in de eruit volgende onsterfelijkheid van de mens.
In de Amerikaanse loges bestaat deze interpretatiemogelijkheid niet. Daar bidt men In naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest

DEÏSME:

Het geloof in een God, berustend niet op een Openbaring, maar op de Rede.

De oorspronkelijke Angelsaksische vrijmetselarij was vrij deïstisch, in de lijn van de rationele bewijsvoeringen dat er een Opperwezen moést bestaan.
Aan deze zienswijze wordt minstens lippendienst bewezen door alle loges die hun werkzaamheden onder de auspiciën stellen van de Opperbouwmeester van het Heelal. De leden hebben nog grotere vrijheid dan in theïstische loges om van de door de Rede ontdekte God, een vaag leidend principe te maken.
Ook al houden de reguliere loges een strikt theïstische stelling voor, in de praktijk - ook in Groot-Brittannië – zijn de vrijmetselaars in groten getale eerder deïsten dan theïsten.

AGNOSTICISME:

De leer dat wij de eerste oorzaak der dingen (het godsprincipe) niet kunnen kennen.
Ingevolge de basisprincipes van de reguliere vrijmetselarij lijkt het onmogelijk dat een agnosticus zou toetreden. Maar toch, als men geen bezwaar heeft tegen de formule van de Opperbouwmeester en hieraan niet méér dan een literair of anekdotisch belang hecht, kan men regulier vrijmetselaar worden en blijven, als men hierover maar niet argumenteert.
De meeste leden van loges die werken Ter ere van de Opperbouwmeester, zeker als het om irreguliere loges gaat, zijn agnostici. Velen in de reguliere vrijmetselarij zijn het eigenlijk ook.

ATHEÏSME:

De ontkenning van het bestaan of de bewijsbaarheid van een persoonlijke God.
Deze zienswijze wordt gevolgd door de irreguliere vrijzinnige loges, die ieder dogma verwerpen en dus ook de geopenbaarde God, die tot het domein van het geloof en van de dogma’s behoort. Wie gelooft in God of minstens in een regulerend Opperwezen kan in principe onmogelijk lid zijn van een vrijzinnige loge. Een agnosticus kan dit wèl, aangezien hij zich vrijblijvend opstelt: hij verwerpt de mogelijkheid van een God niet, maar houdt zijn overtuiging in beraad, totdat hem een rationeel bewijs wordt gegeven.
Een aantal irreguliere loges, vooral in Europa, hebben van de ontkenning van het bestaan van God een essentieel element van hun principiële stellingen gemaakt. Zij zijn overgegaan tot een actief bestrijden van ieder op geloof of op redenering stoelend godsprincipe.
Het gevolg was dat vanaf 1809 pogingen tot verzoening werden ondernomen, die in 1813 resulteerden in de fusie van beide obediënties tot wat voortaan de United Grand Lodge of England werd genoemd. Tot laatste grootmeester van de Antients werd een broer van de koning benoemd, de hertog van Kent (1767-1820). Koning George IV (1762-1830) was zelf als prins van Wales meer dan twintig jaar grootmeester van de Grand Lodge geweest, en voor de nieuwe United Grand Lodge koos men een andere koninklijke broer, de hertog van Sussex (1773-1843), die tot aan zijn dood grootmeester bleef.
De vorming van de United Grand Lodge betekende een succes voor de oudste obediëntie, omdat in haar lokalen en met haar organisatie en reglementen verder werd gewerkt. De triomf was evenwel voor de Antients even groot, zoniet groter, want hun constituties en hun ritualen worden voortaan als grondslag genomen. De Engelse loges werden zo in hun geheel méér theïstisch dan deïstisch.
Voortaan zou United Grand Lodge een vredig en onbekommerd bestaan leiden. Met een grootmeester die meestal tot de koninklijke familie behoorde en met provinciale grootmeesters die praktisch altijd tot de hoge aristocratie behoorden, groepeerde de Engelse - en daarnaast ook de Schotse en de Ierse - vrijmetselarij een niet onbelangrijk deel van de conservatieve en bijna uitsluitend anglicaanse middenstand.
Vriendschappelijk samenkomen, gezellig eten, drinken en zingen, mekaar diensten bewijzen, caritatieve activiteiten ondersteunen: dat was en is nog altijd de Engelse vrijmetselarij. Daarbij werd en wordt natuurlijk ook tijd besteed aan The Craft, het symbolisch en ritueel handelen in de formele werkplaatsbijeenkomsten, maar dit heeft nooit de omvang en belangrijkheid gekregen die men er op het Europese continent aan gaf.
Honderdduizenden Britten werden vrijmetselaar en decennia lang was het bijna vanzelfsprekend voor de bourgeois die het anglicaanse geloof beleed en traditioneel Tory stemde, lid van de plaatselijke loge te worden. De intellectuele en academische kringen voelden zich minder door de vrijmetselarij aangetrokken. De broeders hielden des te meer de grote namen in eer die het licht hadden ontvangen en actieve broeders geweest waren. Dit gold voor de schilder en karikaturist William Hogarth (1697-1764), voor Schotlands’ nationale dichter Robert Burns (1759-1796), voor de grote romancier Walter Scott (1771-1832), voor de vaandeldrager van het Britse imperium, Rudyard Kipling (1865-1936), en voor de medeuitvinder van de penicilline, Alexander Fleming (1881-1955).
Talrijk waren de anglicaanse geestelijken die de kolommen sierden. Kort na de Tweede Wereldoorlog behoorden nog een twintigtal bisschoppen tot de vrijmetselarij, onder wie de aartsbisschop van Canterbury, Geoffrey Fisher (1887-1958).
In iedere generatie werden één of meer leden van de koninklijke familie actief vrijmetselaar. De zoon van Koningin Victoria, de exuberante prins Albert, was Grootmeester vanaf 1874 tot hij in 1901 als Edward VII (1841-1910) de troon besteeg. Zijn broer, de hertog van Connaught (1850-1942), volgde hem op en bleef grootmeester tot in 1939. Edward VIII, later hertog van Windsor (1894-1972), Albert, later koning George VI (1895-1952) en Georges, hertog van Kent (1902-1942), waren allen actieve vrijmetselaars. Kent werd grootmeester en in 1969 kwam zijn zoon Edward (°1935) aan het hoofd van de vrijmetselarij.
De Engelse vrijmetselaars konden ook met trots zeggen dat United Grand Lodge door alle vrijmetselaars ter wereld beschouwd werd als de Moederloge. Wereldwijd had de vrijmetselarij zich gevestigd en overal eerden de broeders dezelfde tradities en waren ze georganiseerd volgens het Engelse voorbeeld. Hierop maakten alleen een aantal irreguliere loges uitzondering, die als onbelangrijk werden beschouwd.
De grootste voldoening konden de vrijmetselaars halen uit het succes van hun Orde in de Verenigde Staten van Amerika. Miljoenen Amerikaanse middenstanders vonden, generatie na generatie, de weg naar de Tempel. De loges hadden in de States méér weg van een service club, opereerden met grote openheid, richtten zich in de eerste plaats op caritatieve en menslievende bezigheden en ontpopten zich zonder complexen tot een formidabele machine van sociale promotie.
Grote namen eerden de vrijmetselarij, zoals die van de auteur van de federale Constitutie Benjamin Franklin (1706-1790), van de Far-Westheld Buffalo Bill (1846-1917), van de humoristische schrijver Mark Twain (1835-1910), van de piloot Charles Lindbergh (1902-1974) en van veel anderen. De politici ontbraken niet onder de tempelgewelven, en vijftien presidenten van de Verenigde Staten waren vrijmetselaar, o.m. Georges Washington (1732-1799), Thomas Jefferson (1743-1826), James Monroe (1759-1831), Andrew Jackson (1767-1845), Theodore Roosevelt (1858-1919), Herbert Hoover (1874-1964), Franklin Roosevelt (1882-1945), en onder de naoorlogse presidenten Harry Truman (1884-1972), grootmeester van de Grand Lodge of Missouri, Gerald Ford (°1913) en Georges Bush (°1924), beiden 33e graad in de Aloude en Aangenomen Schotse Ritus.
Tevreden over de eigen organisatie en trots op haar universele uitstraling kon de Engelse vrijmetselarij in 1967 de tweehonderdvijftigste verjaardag van haar stichting met een massale bijeenkomst in de Royal Albert Hall vieren. De Engelse Grand Lodge telde niet minder dan 8.000 loges met meer dan 600.000 leden. Een derde daarvan was in de Londense agglomeratie gevestigd. De filantropische activiteiten, zowel ten behoeve van de eigen leden (een ziekenhuis, een solidariteitsfonds, een jongens- en een meisjesschool) als ten gunste van profane liefdadigheidswerken, hadden indrukwekkende afmetingen aangenomen.
Toch stapelden zich vanaf de jaren vijftig brede wolkenvelden op aan de hemel van de reguliere en Angelsaksische maçonnerie. In de Verenigde Staten nam het ledenaantal langzaam af. In de zestiger jaren werden nog vier miljoen leden aangegeven, thans ligt dit rond de drie miljoen. Er zijn verschillende redenen om de verminderde belangstelling te verklaren: de geringere interesse van de jongere generaties voor de als curieus beschouwde riten en geplogenheden; de concurrentie van talrijke serviceclubs en andere verenigingsvormen; de vermindering (althans bij de blanke bevolking) van de groep die steun zoekt voor zijn ambities van sociale promotie. Heel wat inspanningen (op zijn Amerikaans: met marketingmethodes en public relations activiteiten) werden in de voorbije jaren ondernomen om het tij te doen keren. De toekomst zal leren of dit succes heeft.
In de andere Engelstalige landen is de neerwaartse beweging eveneens vast te stellen. In Canada is het ledenaantal sedert 1965 met een kwart gedaald. In Nieuw-Zeeland en Australië is het zelfs gehalveerd en op circa tweehonderdduizend teruggevallen.
In Engeland heeft United Grand Lodge met dezelfde ongunstige elementen af te rekenen. Daar is nog bijgekomen dat in verschillende bestsellers terecht of ten onrechte allerhande duistere logeverhalen werden opgedist. Vooral zijn verschillende kerkgemeenschappen zich kritisch gaan opstellen tegenover de vrijmetselarij en werd de verenigbaarheid van het lidmaatschap met de trouw aan een christelijke geloofsbelijdenis meer en meer ter discussie gesteld.
De dekolonisatie heeft United Grand Lodge nog bijkomende problemen opgeleverd. In het hele Britse imperium werkten méér dan duizend loges onder de rechtstreekse hoede van het Londense hoofdkwartier. Sommige van die loges, zoals bijvoorbeeld in Indië, hebben zich tot een eigen onafhankelijke obediëntie uitgeroepen. In de thans ongeveer 800 overgebleven loges buiten Engeland, maar die hoofdzakelijk Britten groeperen, is het gemiddelde ledenaantal onvermijdelijk geslonken. Voor Engeland en de overzeese gebieden samen heeft United Grand Lodge het aantal werkplaatsen op ongeveer 8.000 behouden. Het ledenaantal is daarentegen gehalveerd. Nadat men in de jaren zestig het cijfer van 600.000 leden en zelfs van 750.000 gepubliceerd had en nadat men vele jaren geen cijfers meer vrij gegeven had, heeft United Grand Lodge in 1985 een ledenaantal van 320.000 bekend gemaakt.

bron: Andries Van den Abeele/http://users.skynet.be/sb176943/AndriesVandenAbeele/AVDA278.htm

Groot-nederland.org kan niet aansprakelijk gesteld worden voor de inhoud van deze website en eventueel onjuiste informatie op deze website. Alle hier aangeboden informatie wordt u aangeboden zonder enige garantie van correctheid, zowel in uitdrukking als in aanduiding.




Home Page | De Loge | Vrijmetselarij | Geschiedenis | Diversen | Links | Leden | Site Map


Back to content | Back to main menu