Vrijmetselarij Loge Groot Nederland


Go to content

De geschiedenis van de Franse Vrijmetselarij

Geschiedenis



Charles Radclyffe, eerste vrijmetselaar in Frankrijk.

Hij was van koninklijken bloede. Charles Radclyffe (1693-1746) was zijn naam. De Stuartkoning Charles II was zijn grootvader en daardoor kon Radclyffe zich met recht de neef noemen van de Engelse koninklijke telgen. Via zijn grootvader stamde hij ook van het Franse koningshuis af en kon hij Lodewijk XV mon cousin noemen. Aan de kant van zijn grootmoeder Moll Davies was de afstamming minder eervol. Zangeres en danseres - zij danste graag in jongenskleren - werd Mollie één van de talrijke maîtresses van Charles II. Die hoogst onbeschaamde slet, zoals Samuel Pepys haar in zijn dagboek beschreef, schonk de koning een dochter, Mary Tudor (1673-1726). Het meisje kreeg een behoorlijke opvoeding en trouwde met Francis Radclyffe, eerste graaf van Derwentwater.

Charles Radclyffe en zijn broer James (1690-1716) verkozen de ballingschap boven de onderwerping aan de Hannovers en in 1715 namen zij deel aan de mislukte Stuartinvasie. Ze werden gevangen genomen, James werd ter dood veroordeeld en gehalsrecht, maar Charles kon zich redden door een avontuurlijke ontsnapping uit de Londense Tower. Beide broers werden, de ene als martelaar de andere als romantische held, in liederen en gedichten verheerlijkt. Het aureool van de dappere strijder was voor Charles evenwel onvoldoende om de vrouw van zijn hart te veroveren. Na zijn ontsnapping was hij in de Oostenrijkse Nederlanden verzeild en in Brussel werd hij hopeloos verliefd op een weduwe, de gravin van Newburgh (1693-1755). Toen zijn zestiende huwelijksaanzoek zoals alle vorige was afgewezen en hem zelfs de toegang tot zijn geliefde was ontzegd, slaagde hij erin via de schoorsteen tot in haar kamer door te dringen. Zoveel ontembare hardnekkigheid kon de dame niet langer weerstaan! Het paar vestigde zich in Parijs en daar ontmoette Radclyffe heel wat lotgenoten. Onder hen bevonden zich de Schotse edelman James Hector Mac Leane (1703-1750) en de Ierse zakenman Dominique O’Héguerty (1699-1790). Beiden waren in 1725 vooraan in de twintig, Radclyffe was er tweeëndertig.
Zoals alle Britse vluchtelingen bleven ze bestendig in contact met familie en vrienden in het vaderland en schrikten er niet voor terug af en toe het Kanaal over te steken. Plannen smeden voor de grote dag waarop zij de Stuartpretendent opnieuw op de troon zouden plaatsen, was hun voornaamste bezigheid, wat onvermijdelijk gebeurde in een sfeer van geheimhouding en complot. Geëmigreerde Britten leefden meestal op bescheiden voet en moesten zich tevreden stellen met karig betaalde activiteiten, sommigen als militair, anderen als rentmeester of opvoeder in dienst van de Franse adel. Sommigen kregen af en toe wat financiële steun van de Stuarts, maar méér dan een aalmoes was dit niet. Voor het voeren van hun eindeloze discussies en het uitwisselen van hun toekomstdromen brachten de ballingen avonden en nachten door in de achterzaaltjes van koffiehuizen.
Op een avond las één van hen voor uit een Londense krant die over de oprichting van een Grand Lodge of freemasons berichtte. Weldra kwam een andere aandragen met een boekje dat onlangs was verschenen en waarin alles over die nieuwe vereniging te lezen stond. De geëmigreerden wilden niet onderdoen voor wat in Engeland gebeurde. Het vrijmetselaarsidee, op basis van hechte kameraadschap en met zijn regels van geheimhouding, sprak hen aan. Zo komt het dat in 1725 of 26 een eerste loge in Parijs werd opgericht. De leden die mekaar ontmoetten bij de Engelse tafelhouder Huré in de rue des Boucheries, faubourg Saint-Germain, waren allemaal Engelse Stuartgezinden of Jacobieten, zoals men de volgelingen van de verbannen dynastie noemde. In plaats van zoals de Engelse loges de naam te nemen van het café waar ze bijeenkwamen, gaven ze aan hun club de naam van de Engelse heilige en martelaar Thomas Beckett, die in zijn tijd ook naar Frankrijk had moeten vluchten.
Alleen al door de persoonlijkheid van de leden - allemaal Stuartgezind en de meesten zoniet allen katholiek - kreeg deze loge een heel andere inhoud dan de werkplaatsen van Grand Lodge. Het werd een bijeenkomst van ballingen die bij mekaar steun, vriendschap en informatie zochten. Lord Derwentwater werd hun eerste voorzittend meester. De beginjaren van deze loge en de mogelijke oprichting van andere werkplaatsen zijn bij gebrek aan nagelaten documenten moeilijk te achterhalen.

Daar is de hertog van Wharton weer.

In 1728 werd naar alle waarschijnlijkheid hertog Philip van Wharton als hun eerste grootmeester aangesteld. De jonge hertog had zich in Engeland niet alleen bij de loges onmogelijk gemaakt, maar was er op korte tijd in geslaagd het familiefortuin te verkwanselen en zich door zijn incoherente politieke houding de vijandschap van de monarchie en van het establishment op de hals te halen.
Ten einde raad vluchtte hij naar het continent en bekeerde hij er zich tot de Stuartgezindheid. Door de kroonpretendent werd hij met open armen ontvangen. Hij kreeg de titel van hertog van Northumberland en werd opgenomen in de Orde van de Kouseband. Tot zijn ontgoocheling evenwel kreeg hij weinig los van datgene waar hij het meest op aasde: centen om zijn verkwistende levensstijl hoog te houden.
Wharton kwam enkele maanden in Parijs wonen, waar hij nieuwe schulden opstapelde. Hij had zich weliswaar tot het katholicisme bekeerd, maar hij bleef de corrupte wildeman die door de dichter Alexander Pope beschreven werd als iemand die alle ondeugden in zich verenigde en alle regels en wetten met voeten trad. Maar ja... hij was hertog, drager van twee prestigieuze titels en was in Engeland één van de eerste grootmeesters van de vrijmetselarij geweest. Wellicht drong hij zich bij zijn nieuwe vrienden op zoals hij het in Londen had gedaan. Pope zei van hem dat hij een dwaas was maar met een uitzonderlijke overredingskracht. Lang bleef hij niet bij zijn Parijse broeders, want weldra zou hij opnieuw het nomadenleven gaan leiden van een door schuldeisers achtervolgde armoezaaier en dronkeman. Nauwelijks drieëndertig jaar oud, stierf hij in Spanje, waar hij zijn diensten was gaan aanbieden.
Hoewel er in Parijs omstreeks 1730 hoogstens een paar loges geweest kunnen zijn, werd voortaan toch regelmatig een grootmeester aangesteld. Eerst was het baron Mac Leane en eind 1736 werd het Charles Radclyffe, die ondertussen graaf van Derwentwater geworden was en pas terug was van enkele jaren verblijf in Engeland, waar hij ondanks zijn anti-Hannovergezindheid ongestoord de familieeigendommen kon beheren.
De katholieke en Jakobitische logebroeders vonden het niet prettig te moeten toegeven dat ze een idee hadden overgenomen dat aan het brein van hun anglicaanse vijanden was ontsproten. In het uitvinden van een eigen geschiedenis waren ze echter even sterk als de stichters van de Grand Lodge en weldra circuleerde het verhaal dat ze afstamden van loges die al vanaf 1688 door Schotse regimenten naar Frankrijk waren meegebracht: Eén van de vele vrijmetselaarsverhalen die tot in onze dagen in historische overzichten, al dan niet met kritische bedenkingen, te lezen staan.

De Grand Lodge verschijnt ten tonele.

Bij dit alles bleven de Engelsen van over het Kanaal niet zonder repliek. In 1732 werd een loge Au Louis d’Argent opgericht in de rue de Bussy. Ze kreeg officiële erkenning van de Engelse Grand Lodge en werd op de Londense tabellen ingeschreven onder het nummer 90. Deze loge bestond hoofdzakelijk uit Franse leden, die tot een société de pensée behoorden onder de naam van Le Parnasse de Chaulnes en geleerde bijeenkomsten hielden in de residentie van de jonge hertog van Chaulnes (1714-1769). In 1732 waren er al heel wat publicaties voor en tegen de vrijmetselarij verschenen en was de nieuwe Orde ook de Fransen beginnen te interesseren, althans de enkelen onder hen die uit waren op nieuwe ideeën en experimenten. Wisten ze bij hun succesvolle aanvraag tot erkenning, gericht tot de Grand Lodge in Londen, dat er al één of meer niet door Londen erkende loges in Parijs bestonden? Het is ver van zeker, want de Stuartiaanse vrijmetselaars waren discreet gebleven.
De banden die de Louis d’Argent, of in het Engels King’s Head, voortaan met Engeland onderhield, werden onderstreept toen de hertog van Aubigny in 1735 een vergadering in het lokaal van de rue de Bussy kwam voorzitten. Aubigny was de naam die de jonge hertog in Frankrijk droeg. Zijn echte naam was Charles Lennox, hertog van Richmond, en zoals Charles Derwentwater was hij een kleinzoon van koning Charles II. Zijn grootmoeder, Louise de Kéroualle (1649-1734) was een echte romanfiguur. Door koning Lodewijk XIV werd ze als spionne naar Engeland gestuurd met de opdracht in ‘s konings bed terecht te komen, er alle staatsgeheimen te ontfutselen die ze maar kon en die door te spelen. Louise, de grootste deerne ter wereld volgens een nicht van de koning, overleefde de meeste van haar tijdgenoten. In 1734, vijfentachtig jaar oud geworden, stierf ze in Parijs vroom en katholiek, omringd door de kloosterzusters voor wie ze een ziekenhuis had opgericht. Als dank vanwege Charles II was ze hertogin van Portsmouth geworden en Lodewijk XIV had haar tot hertogin van Aubigny gemaakt!
Haar kleinzoon had de zijde van de Hannovers gekozen, het beste middel om het familiefortuin ongeschonden te behouden. In Engeland was hij betrokken bij de vrijmetselarij. In hetzelfde jaar 1724 waarin hij vleugeladjudant van koning Georges I werd, was hij ook de achtste grootmeester van de Grand Lodge. Zoals boven vermeld, was zijn vrouw meter van één van de kinderen van dominee Desaguliers. In 1734 kwam hij naar Parijs om de erfenis van zijn grootmoeder te regelen. Hij hield er een logebijeenkomst in haar woning, in aanwezigheid van de filosoof Montesquieu, die in 1730 door Richmond in Londen was ingewijd. Nu was het Montesquieu jr. die als lid werd opgenomen, hoewel hij nauwelijks achttien was. Het jaar daarop was Richmond opnieuw in Frankrijk en dit keer was hij vergezeld van dr. Desaguliers.
In augustus 1735 stichtte hij in zijn kasteel van Aubigny een loge, die onder het nummer 133 ingeschreven werd op de tabellen van de Londense Grand Lodge. In september verbleven beide heren in Parijs. Zij maakten bij deze gelegenheid gebruik van het lokaal van de Louis d’Argent om een aantal Engelse ingezetenen, allemaal Hannoveraanhangers tot de vrijmetselarij toe te laten. Er waren ook een paar Fransen aanwezig: opnieuw Montesquieu, de graaf van Locmaria (1708-1746) en de graaf de Saint-Florentin (1705-1777). Deze laatste was met een Hannoverse gravin gehuwd en kon dus als Hannoversympathisant beschouwd worden. Hij was daarbij de minister verantwoordelijk voor de protestantse erediensten. Locmaria was, althans volgens Montesquieu, geen interessant personage, want na zijn dood beschreef hij hem op weinig broederlijke wijze als de meest vervelende gek en de schrikkelijkste plaag die hij ooit in zijn leven ontmoet had.

Logestichters en logebeschermheren.


In 1736 werden twee nieuwe loges opgericht. De eerste werd geleid door de edelsteenslijper Jean Coustos (1703-1746), een hugenoot van Franse afkomst maar van Engelse nationaliteit. Op minder dan een jaar traden zeventig leden toe, voor twee derde vreemdelingen; een heel internationale club dus, met vooral Duitsers - meestal uit het hertogdom Hannover -, Polen, Italianen, Scandinaven en zelfs een Belg, Errembault, heer van Dudzele. Ongeveer de helft behoorde tot de adel, met prins Stanislas Lubomirski (°1719) en graaf Czapski (1711-1784), neef van de koningin van Frankrijk als meest prestigieuze namen.
De Franse leden waren hoofdzakelijk burgers, waaronder enkele bekende namen, zoals die van de abbé Aunillon (1685-1760), kleinzoon van een Engelse Stuartgezinde, schrijver van flauwe romans en minnaar van Mademoiselle Guichard van de Comédie Française. De componist Jacques Naudot (1710-1762), die een boekje met vrijmetselaarsliederen publiceerde, werd ook bij Coustos ingewijd, evenals de meest gevierde operazanger van die tijd, Pierre Jeliotte (1711-1782).
Zodra de werkplaats goed georganiseerd was, deed men zoals steeds een beroep op een illuster personage om er beschermheer van te worden. De keuze viel op hertog Louis de Villeroy (1695-1766), die wellicht in de logebroederschap troost vond voor zijn echtelijke problemen, want de hertogin stond bekend als iemand die zich prostitueerde met de eerste de beste, zelfs met livreidragers.
Op een paar dagen verschil met de loge Coustos-Villeroy, werd door de hofschilder Louis Collins, die in Parijs de agent was van de Engelse vrijmetselaar lord Kingston, ook een loge opgericht in het lokaal van de Louis d’Argent. Voor het beschermheerschap werd een beroep gedaan op hertog Louis d’Aumont (1709-1782). Hoewel hij tot een grote Franse familie behoorde, valt ook hier weer de Engelse relatie op. Hij was namelijk gehuwd met Victoire de Duras (1706-1753), die de weduwe was van de hertog van Fitzjames (1702-1721), een kleinzoon aan de bastaardzijde van de Stuartkoning James II. Aumont was een typisch vertegenwoordiger van de hoge aristocratie. Een anoniem hekeldicht beschreef hem als volgt:

  • Peu délicat sur l’honnête,
  • Plat courtisan, flatteur bête,
  • Sans caractère et sans tête,
  • d’Aumont, voilà ton portrait.


Toch was hij een actief beoefenaar van de scheikunde, werd hij beschouwd als de beste kenner van porselein in zijn tijd en bouwde hij een prachtige residentie die hij door vooraanstaande artiesten en kunstambachtslui liet decoreren en meubileren. Zijn deelname aan bijeenkomsten waar hij kunstenaars ontmoette zoals de hofschilder Collins, de juwelier Artaud en de koninklijk graveerder Le Lorrain (1701-1778), was niet ongewoon. Toch moeten we er rekening mee houden, dat d’Aumont slechts als patronerende meester fungeerde en het bestuur overliet aan de schilder Collins. Hij zelf tafelde liever met gelijken. Een krantenberichtje vermeldde dat hertog d’Aumont een groot diner had aangeboden als logemeester, waarop hij uitsluitend edellieden had uitgenodigd, wat de leden van de derde stand erg gekrenkt had. De beoefening van de universele broederschap was dus heel relatief, zoals we nog vaak in ons verhaal zullen vaststellen.

Naar een bestendige vestiging.


Hoewel er vanaf 1732 één en vanaf einde 1736 drie loges onder auspiciën van de Engelse Grand Lodge werkten, erkenden ook zij de Stuartgezinde grootmeesters Macleane en Derwentwater. Toch tonen de schaarse documenten die tot ons zijn gekomen, duidelijke wrijvingspunten aan. Zo lezen we dat de Engelsgezinde loges het niet passend vonden dat Derwentwater hun precieze richtlijnen gaf over de gang van zaken in de werkplaatsen: hij was er alleen om de bestaande aloude reglementen te doen eerbiedigen en niet om er nieuwe op te leggen, zo vonden ze. Ook waren ze het er niet mee eens dat burgers in de loges een degen mochten dragen, wat een adellijk voorrecht was. Dit was een eerste aanduiding van de meningsverschillen die weldra hoog zouden oplaaien tussen diegenen die de vrijmetselarij zo dicht mogelijk bij haar vermeende oorsprong van ambachtsgilde wilden houden en diegenen die er een soort ridderorde van wilden maken.
Uit al het voorgaande kunnen we over de eerste tien jaar van de vrijmetselarij in Frankrijk, waarover heel wat gegevens ontbreken, toch een eerste reeks elementen aangeven. De vrijmetselarij nam een trage aanloop, met eerst één of twee loges ontstaan in de kringen van de Jakobieten en vanaf 1732 en vooral 1736 met een drietal loges van orthodox-Engelse oorsprong. Vooral in deze laatste werden nogal wat Fransen opgenomen, wat niet naar de zin was van grootmeester Derwentwater, die hierin een afwijking zag van de oorspronkelijke opzet er een homogene broederschap van Engelse Stuartgezinde ballingen van te maken. Toen vanaf 1732 zowel Fransen als Hannovergezinde Engelsen tot loges toetraden, behoorden zij tot de jeunesse dorée van de hoofdstad, hoewel ook enkele heren op middelbare leeftijd toetraden, die van de internationale jet set van de hoofdstad deel uitmaakten.
De Hannoverse loges werden door burgers voorgezeten: de goudsmid Thomas Le Breton (1700-1768), de schilder Louis Collins, de steenslijper Jean Coustos, de graveerder Jean Le Lorrain, de producent van sierveren Martin Peny, de architect Jean Puisieux (1700-1776). In hun kielzog brachten ze een aantal burgers, zowel Fransen als Engelsen mee. Opvallende leden waren enkele mondaine geestelijken, zoals de ex-jezuïet Jean-Baptiste Gresset (1709-1777) zijn talent is gekeerd naar alles wat libertijns en losbandig is, l’abbé Aunillon (bijgenaamd Conillon, groot liefhebber van actrices), legeraalmoezenier Le Camus (die te graag vrouwen en wijn lust), en de priesters Jacques Pernetti (1696-1777) en Des Roussaux. We moeten er aan toevoegen dat Gresset, Aunillon en Pernetti tot het literaire wereldje van de auteurs à la mode behoorden.
Ook de lagere adel, vooral uit de militaire en ambtelijke kringen, werd door de vrijmetselarij aangetrokken. Dit alles werd bekroond door enkele grote aristocraten, die als beschermheren optraden. In het eerste decennium werden hooguit een paar honderd leden ingewijd, waaronder een aantal vreemdelingen, die meestal kortstondig in Parijs vertoefden en waarvan enkelen ten grondslag lagen aan vrijmetselaarsactiviteiten in Duitsland, in Zweden en in Polen. De adellijke heren, waaronder verscheidene hertogen, die tot het nieuwe genootschap toetraden, behoorden tot de frivole, nogal immorele en losbandige bovenlaag, van wie de avonturen met danseressen en actrices een publiek geheim waren. Een paar onder hen, zoals de hertogen van Chaulnes en de Villeroy, zochten wellicht troost in de logevriendschap voor de ontrouw van hun echtgenotes, die door de schandaalschrijvers dik in de verf werd gezet. Anderzijds waren zij ook vaak geïnteresseerd in kunsten en wetenschappen, waren zij zelf grote verzamelaars of experimenteerden zij in scheikunde, sterrenkunde of alchemie.
Voor allen die toetraden tot de nieuwe Orde, was de nieuwsgierigheid, de drang naar nieuwe experimenten en sensaties de hoofdzakelijke drijfveer. De vrijmetselarij beantwoordde aan de tijdsgeest!

Eerste vervolgingen.


De snelle toename van het aantal logeleden in het jaar 1737 had als onvermijdelijk gevolg dat van de aanvankelijke geheimhouding weldra weinig overbleef. De overheid, en meer bepaald eerste minister en kardinaal de Fleury (1653-1743), begon zich om de nieuwe sekte te bekommeren en de politie werd op speurtocht gestuurd om na te gaan wat ze juist te betekenen had. Werden in deze uitsluitend mannelijke bijeenkomsten de goede zeden aangetast? De aanwezigheid van notoire homofielen, zoals de hertogen de Villars (1702-1770) en de Villeroy, en van grote losbollen, zoals hertog de Richelieu (1696-1788) en prins de Conti (1717-1776), kon het doen vermoeden. Werd er tegen de regering gecomplotteerd? De aanwezigheid van misnoegde en op een zijspoor geplaatste aristocraten kon het doen veronderstellen. Waren de Stuartgezinden er complotten aan het smeden die de Franse politiek van verzoening met de Hannoverdynastie konden bemoeilijken? Dit was zeer waarschijnlijk.
Politiecommissaris René Hérault (1691-1741) trok dan ook op pad en organiseerde verschillende invallen tijdens logebijeenkomsten. Wat aan archieven en attributen aanwezig was, werd in beslag genomen, enkele leden werden opgepakt en de traiteurs werden beboet. Verder dan enkele intimidatieoefeningen ging men evenwel niet, want tegen de adellijke beschermheren optreden werd toch wat riskant. Hérault was een meester in het spioneren. Hij deed een beroep op de actrice Manon Carton, die de geheimen van de vrijmetselarij aan één van haar minnaars ontfutselde. Begin 1738 publiceerde Hérault een Mystérieuse réception des membres de la célèbre société des franc-maçons, waarin iedereen kon lezen wat hij door bemiddeling van la Carton had vernomen. Hij bereikte evenwel het tegengestelde van wat hij had beoogd. De belangstelling voor het mysterieuze gezelschap werd er alleen maar groter door!
Toen de politiecommissaris het probleem vrijmetselarij voor de rechtbank van Parijs bracht, was het vonnis dubbelzinnig. De rechters oordeelden dat het weliswaar om een deftig tafelend genootschap ging, maar dat het niettemin gevaren inhield, doordat het onverschillig stond tegenover de godsdienst, een voedingsbodem voor complotten kon zijn, geheimen bewaarde en alle slag van personen verenigde wat ook hun stand, nationaliteit of godsdienst was. Weliswaar was het besluit hiervan dat het wenselijk was de vereniging te verbieden, maar, zo oordeelden de rechters op voorwaarde dat men dit niet al te ernstig zou opnemen. De politie nam hiermee geen genoegen en begon dan maar op eigen houtje de traiteurs lastig te vallen die vrijmetselaarssoupers aanrichtten. Er volgde een vonnis van de politierechtbank, dat de restauranthouders verbood voortaan nog vrijmetselaars in hun zaak toe te laten. Verder ging men niet en dit was begrijpelijk. Hoezeer Fleury ook wenste deze nieuwe vereniging in de kiem te smoren, de aanwezigheid van hoge heren, waarvan sommigen rechtstreeks toegang hadden tot koning Lodewijk XV, spoorde hem en zijn politiesuppoosten tot voorzichtigheid aan.
De werking van de loges werd door het politieoptreden tijdelijk bemoeilijkt, maar dit zette eerder aan tot doorzetten dan tot afhaken. De belangstelling was bij velen dermate opgewekt, dat abbé Le Camus tegen het einde van 1737 niet zonder overdrijving kon schrijven dat alle gezond denkende lieden zich in massa aanboden om het aantal broeders te vermeerderen...
Op 4 mei 1738 gebeurde iets heel bijzonders. Paus Clemens XII vaardigde een bul uit waarmee hij de toetreding tot de vrijmetselarij aan alle katholieken verbood op straf van excommunicatie. Kardinaal en eerste minister de Fleury moest wàt blij zijn zich op het pauselijk gezag te kunnen beroepen en te mogen verklaren: Ziet u wel dat ik gelijk heb, de paus zegt het ook. Toch was het niet zo. De pauselijke bul werd in Frankrijk en in de meeste landen, ook in de Oostenrijkse Nederlanden, om allerhande redenen doodgezwegen en voor niet-uitvoerbaar gehouden. De invloed ervan op de 18de-eeuwse vrijmetselarij was, met uitzondering van de Pauselijke Staten, gering tot onbestaande, zodat we op dit punt hieraan geen verdere aandacht hoeven te besteden. In hoofdstuk XII wordt in een ruimer verband hierop teruggekomen.

De eerste Franse grootmeesters.


Eén van de bezwaren van kardinaal de Fleury was dat de vrijmetselarij een broeinest van Stuartgezinden was. Het werd tijd dit te verhelpen en minstens dit bezwaar te ontzenuwen, door het genootschap onder de bescherming te plaatsen van een authentieke Franse grootmeester. Graaf Derwentwater nam ontslag en verdween in een relatieve anonimiteit, waar hij opnieuw uit te voorschijn zou komen in 1745, naar aanleiding van de laatste invasiepoging van de Stuartpretendent. Dit keer ontsnapte Derwentwater niet aan zijn heroïsch noodlot en werd hij geëxecuteerd, een leven van trouw aan koning en godsdienst met de dood bekopend.
Op 24 juni 1738 werd Louis de Pardaillan, hertog d’Antin (1707-û1743), tot zijn opvolger verkozen. Als hoofdopzichter van de koninklijke gebouwen leek hij een voor de hand liggende keuze om aan het hoofd te worden gesteld van een metselaarsvereniging. Als jeugdvriend van Lodewijk XV, op wie hij in geval van nood een beroep kon doen, bleef hij buiten het bereik van Fleury en was hij een uitstekende schutsengel voor de vrijmetselaars.
Eén enkele keer werden in 1740 enkele bescheiden vrijmetselaars opgepakt en een paar dagen opgesloten, maar voor de rest bleef het stil rond de Orde. De broeders hadden uit de voorbije gebeurtenissen geleerd zich zo discreet mogelijk op te stellen.
Toen d’Antin in 1743 op de leeftijd van zesendertig jaar overleed, zijn weduwe met een zwaar verlieslatende successie opzadelend, waren er in Parijs al een twintigtal loges. Zestien achtbare meesters kwamen bijeen en verkozen tot hun nieuwe grootmeester Louis de Bourbon Condé, graaf van Clermont (1709-1771). Met hem was het een lid van de koninklijke familie, een Prince du Sang, die aan het hoofd van de Orde kwam, aangezien hij een kleinzoon was van Lodewijk XIV. De graaf van Clermont was abt van de abdij van Saint-Germain des Prés, hoewel hij geen priester was en ook een belangrijk legeraanvoerder. Daarbij was hij een beschermer van kunsten en wetenschappen en werd hij lid van de Académie Française. Pas éénentwintig geworden, stichtte hij een Société des Arts, die zich als concurrent opstelde van de Académie des Sciences. Op het ogenblik van zijn verkiezing tot grootmeester behoorde hij tot de groep aristocraten die er een weinig stichtende levenswandel op nahielden. De enorme inkomsten die hij uit de door hem bestuurde abdijen haalde, dienden om er een mondaine en buitensporige levensstijl op na te houden. Clermont bleef ongehuwd maar had een jarenlange verhouding met de actrice Elisabeth Leduc, die ook de maîtresse was geweest van zijn voorganger, de hertog van Antin.
Hoewel er nog af en toe politieoptredens tegen de vrijmetselaars voorkwamen, weliswaar uitsluitend tegen loges en tegen leden van bescheiden sociale rang, nam de Orde voortaan aanzienlijke uitbreiding. In 1744 waren er twintig ateliers in Parijs en vierentwintig in de rest van het land. Tegen het jaar 1755 waren er één of meer ateliers in tweeënzeventig steden. Een paar onder hen hadden al een kwarteeuw vrijmetselaarstraditie opgebouwd, zoals in Bordeaux en in Valenciennes waar al vanaf 1732 door de Engelse Grand Lodge erkende werkplaatsen bestonden. In 1760 noteerde men voor Parijs vijfenzeventig loges en zevenenveertig in de rest van het land. Dit waren de door de Franse Grootloge erkende loges.
Daarnaast waren er nog heel wat bastaardloges, die van de een of andere buitenlandse obediëntie patenten hadden verkregen, en ook een aantal wilde loges, die op eigen houtje tot stand gekomen waren.

Een katholieke ombuiging.


Vanaf 1745 werd duidelijk dat de Franse vrijmetselarij begon af te wijken van het Engelse model. In ons volgende hoofdstuk zullen we het over de aanzienlijkste afwijking of ontwikkeling hebben, die van de hoge-gradenvrijmetselarij. Maar ook de basisvrijmetselarij, de blauwe vrijmetselarij van de eerste drie graden, kreeg een duidelijk verschillende inhoud. Het vage deïsme van de Engelse Constituties moest plaats ruimen voor een uitgesproken katholieke gedragslijn. Nieuwe statuten door de Loge Saint-Jean de Jerusalem, de persoonlijke loge van graaf de Clermont in 1745 opgesteld, werden naderhand door talrijke zoniet de meeste loges overgenomen. Hierin luidde Artikel Eén: God is onze meester, wij zullen Hem steeds om hulp bidden en nooit zijn heilige naam ontwijden. Wat een verschil met de vrijblijvende Engelse verwijzingen naar de Opperbouwmeester van het Heelal.
De statuten bepaalden verder dat enkel gedoopte, gelovige en godvrezende kandidaten mochten worden opgenomen. De bijeenkomsten moesten gehouden worden buiten de uren waarop kerkelijke diensten plaatsvonden. Op het feest van Sint-Jan moesten alle leden de H. Mis bijwonen, alsook ‘s anderendaags een herdenkingsmis voor de overleden leden. Een broeder die iets ondernam tegen het geloof of de goede zeden, moest uitgesloten worden. Bij overlijden van een lid moesten alle broeders de uitvaartmis bijwonen.
Dergelijke verplichtingen brachten de Franse vrijmetselarij dichter bij de statuten van een godsdienstige confrérie dan bij die van de Engelse Grootloge. Met varianten kunnen we ze in alle statuten van de verschillende achttiende-eeuwse obediënties in Frankrijk terugvinden.
Naast de op de godsdienst gerichte artikelen, bevatten de statuten voortaan ook een veel belangrijker aantal moraliserende elementen dan dit in de Constituties van Anderson het geval was. Zo werd voorgehouden dat rijkdom en aanzien niet tot hoogmoed mochten leiden, maar integendeel moesten aanzetten tot nederigheid en steun aan de behoeftigen; dat ieder broeder zich beleefd en menselijk moest gedragen en de vijand moest zijn van leugen en laster; dat hij voor vrouw en kinderen een voorbeeld van goed gedrag moest zijn, niet mocht toegeven aan verkwisting en ontucht en alle tegenslagen met geduld moest verdragen; dat geen godslasteringen, vloeken of obscene woorden over zijn lippen mochten komen; dat hij zich niet te buiten mocht gaan aan drankmisbruik of andere buitensporige zaken; dat hij zijn zieke broeders moest bezoeken en bijstaan; dat hij zijn onrechtvaardig gevangen genomen broeder moest vrijkopen.
Als de logeleden zich volgens deze principes gedroegen, dan is het duidelijk dat ze zich aanzienlijk verwijderd hadden van de oorspronkelijke loges, die niet veel méér waren geweest dan
gezelligheidsverenigingen, waar vooral goede spijs en drank en jolig gezelschap van tel waren.
Was de vrijmetselarij vanaf haar ontstaan op vrij chaotische en weinig georganiseerde wijze tot ontwikkeling gekomen, voortaan zou hierin, onder de nieuwe statuten, wijziging komen. Graaf de Clermont vergenoegde zich niet met het uitvaardigen van strenge regels, hij wou ook de misbruiken uitroeien. Begin 1744 stond in een Parijs krantje te lezen dat hij uit de loges zou verwijderen al wie geen edelman of deftig burger was. En l’abbé Perau (1700-1767) schreef rond dezelfde tijd in zijn L’Ordre des Francs-Ma·ons trahi: Men zal een aanzienlijk deel van de broeders uit de Orde wegjagen, omdat ze deze onteren door de laagheid van hun inborst en door de verachtelijke baatzucht die hen bezielt. Want, zo schreef hij verder: men heeft de waardigheid van Gezel en Meester verleend aan lieden die nog niet goed genoeg waren om als Dienaars te worden opgenomen.
Inderdaad, vanaf 1744 werden zuiveringsacties uitgevoerd en hiervoor riep de Grootmeester zelfs de hulp in van de politie, die binnenviel in werkplaatsen samengesteld uit bescheiden lieden en ze aanmaande hun logewerkzaamheden te staken.
Toen in 1755 de statuten van 1745, met enige wijzigingen, maar trouw aan de katholieke inspiratie, werden gepubliceerd om te dienen tot reglement voor alle loges van het Koninkrijk, was de evolutie van een ontspanningsvereniging naar een soort godsdienstige confrérie duidelijk te merken. Terwijl in de eerste jaren, een groot deel van de leden uit de adel, zelfs uit de hoge aristocratie, kwamen, was dit na 1745 niet meer het geval. De meeste edele heren waren het maçonnieke spel vlug moe en alleen een kleine groep bleef nog actief, hetzij in exclusieve adellijke loges, hetzij in burgerlijke loges, waar zij als beschermheer optraden zonder zelf veel aan de werkzaamheden deel te nemen. De burgerij en de gegoede middenstand zorgden voor de aflossing. Die handelaars en industriëlen waren rooms-katholiek, vroom, zelfs devoot en jansenistisch beïnvloed. Het Jansenisme was in die tijd het toevluchtsoord voor al wie zich contesterend opstelde tegenover het kerkelijke en burgerlijke gezag.
Hetzelfde deed zich voor in de provinciesteden. Men heeft uit lokale studies over de 18de-eeuwse loges in Frankrijk kunnen vaststellen dat zij in de kringen rekruteerden van de godsdienstige confrérieën, meer bepaald van de boetecongregaties of penitenten. Grootmeester de Clermont was hiermee in éénklank, want stilaan was hij van losbandigheid overgeschakeld op devotie en voorbereiding op het eeuwig leven.

De stichting van de Grand Orient de France.


Graaf de Clermont bleef weliswaar grootmeester tot aan zijn dood in 1771, maar erg veel heeft hij zich om de vrijmetselarij niet bekommerd, althans niet om de op Engelse wijze georganiseerde loges zoals hij die bij zijn functieaanvaarding aantrof. In een volgend hoofdstuk zullen we het hebben over zijn activiteit in de hoge-gradenvrijmetselarij.
De dagelijkse leiding van de Grande Loge de France gaf Clermont in handen van substituten, die volgens eigen godsvrucht en vermogen opereerden. Weldra begonnen zich allerlei rivaliteiten af te tekenen, die gedurende vele jaren de logeactiviteiten zouden bezwaren. Er waren hiervoor allerhande redenen, waarvan de voornaamste het antagonisme was dat ontstond tussen burgerij en adel. Vooral in Parijs leidde dit tot talrijke scheuringen en uitsluitingen. De ruzies namen dergelijke proporties aan en werden zo publiek uitgevochten, dat in 1767 bij politiebevel alle logewerkzaamheden voor onbepaalde tijd verboden werden. Ook al legden de broeders zich hier niet helemaal bij neer, toch leidde de vrijmetselarij in de volgende vier jaar slechts een sluimerend voortbestaan.
Toen in 1771 grootmeester de Clermont als vrome en berouwvolle zondaar de geest gaf, liet hij een bijzonder verwarde toestand na. De vrijmetselarij verkeerde, in de mate waarin ze nog actief was, in een chaotische toestand, waarin rivaliteiten en ruzies hoogtij vierden en nog weinig broederlijkheid te bespeuren viel. Het zou niet ondenkbaar geweest zijn dat de centrale organisatie volledig opgedoekt werd en alleen nog mekaar bestrijdende of mekaar negerende splintergroepen overgebleven zouden zijn.
Een redder in de nood trad evenwel aan. Zijn naam was Anne-Charles, hertog de Montmorency-Luxembourg (1737-1803). Actief vrijmetselaar sedert zijn initiatie in 1762, had hij contacten met de elkaar bestrijdende kampen en hij slaagde erin de meesten tot verzoening te bewegen. Zelf wou hij niet de nieuwe grootmeester worden en vergenoegde hij zich met een functie van algemeen beheerder, die hem evenwel de effectieve leiding over de vrijmetselarij gaf, althans over het gedeelte dat zich aan zijn gezag wou onderwerpen.
Tot de Franse Revolutie het verhinderde, zou Montmorency-Luxembourg met voorbeeldige ijver werken in dienst van een geordende en ordentelijke vrijmetselarij. Hij slaagde erin de Grande Loge de France, die nagenoeg ten onder was gegaan aan haar inwendige twisten, te vervangen door een nieuw opgerichte Grand Orient de France. Begin 1773 was de nieuwe organisatie operationeel. Nieuwe statuten werden opgesteld, een nieuw hoofdbestuur werd aangesteld en de vernieuwde vrijmetselarij nam haar intrek rue Pot-de-Fer, in het vroegere klooster van de Jezuïeten.
Tot grootmeester van de Grand Orient werd Louis-Philippe de Bourbon (1747-1793), hertog van Chartres, later hertog van Orléans, verkozen. Hij was een rechtstreekse nazaat van Lodewijk XIII en van moederskant ook van Lodewijk XIV. Zijn overgrootvader Philippe d’Orléans (1674-1723) was de controversiële Regent van Frankrijk geweest tijdens de minderjarigheid van Lodewijk XV. Politiek en staatkundig was die Regent geen slecht leider, maar moreel was hij een van de meest verdorven personages die de zo al libertijnse 18de eeuw voortbracht. Philippe d’Orléans junior had dan ook een illuster voorbeeld, dat hem in zijn neigingen tot roekeloos kansspel, geldverkwisting en seksuele losbandigheid kon stimuleren. Net als de vriendenclub waartoe hij behoorde, was hij een prototype van de moreel aan lager wal geraakte aristocratie.
Niet dat dit voor de vrijmetselarij veel belang had, want zijn bijdrage beperkte zich tot hetverlenen van zijn beschermheerschap en tot het bij hoge zeldzaamheid bijwonen van plechtige bijeenkomsten. Als hij al eens zelf metselde, was het in besloten kring, met een paar vrienden en enkele dames, in zijn eigen persoonlijke loge.
Philippe d’Orléans heeft in de Orde nog de meeste herinneringen nagelaten door in 1793, toen hij onder de naam Philippe-Egalité de zijde van de revolutie had gekozen, publiek en brutaal afstand te nemen van de vrijmetselarij die hij een schim van Gelijkheid noemde. Enkele weken na de verloochening van zijn vrijmetselaarsverleden werd hij slachtoffer van de Terreur. Hij eindigde zijn korte en weinig stichtende leven op dezelfde wijze als zijn neef Lodewijk XVI, die mede door hem ter dood was veroordeeld.
Veertig jaar later zou een kleindochter van Philippe-Egalité met een vrijmetselaar trouwen.Haar naam was Marie-Louise d’Orléans, gemalin van Leopold I, koning der Belgen.

Bestendige groei tot aan de revolutietijd.


Vanaf 1773 tot aan de Franse Revolutie, groeide de Grand Orient de France bestendig. Er werd aanzienlijk werk verricht voor het organiseren en het stroomlijnen van de logeactiviteiten, zowel in Parijs als in het hele land. Gemakkelijk en helemaal succesvol was dit niet. Niet alleen waren er de problemen met verschillende kleine obediënties, die apart bleven opereren, maar vooral kwam er een belangrijke scheuring die onder de naam Grande Loge de Clermont tot in 1799 concurrerend zou blijven werken. Alleen al in Parijs werden door deze aan de Grand Orient vijandige organisatie honderd en twintig loges erkend. Ook zij beschouwden Philippe d’Orléans als hun grootmeester.
De werkplaatsen van de Grande Loge de Clermont bleven nagenoeg uitsluitend bevolkt door leden van de burgerij en de middenstand en werkten verder in de geest van de rooms-katholieke traditie. In de Grand Orient de France was het uitzicht enigszins anders. Ook daar waren een aantal loges door burgers bevolkt. Er bestonden echter ook werkplaatsen die de aristocratie groepeerden. Voorbeelden hiervan waren in Parijs de loges La Candeur, Saint-Jean d’Ecosse du Contrat Social en L’Olympique de la Parfaite Estime. Er waren ook heel wat militaire loges die ontstonden in de schoot van legerregimenten, terwijl er ook talrijke adoptieloges, d.w.z. vrouwenloges, bestonden.
Een buitenbeentje bij al deze werkplaatsen was de Loge des Neuf Soeurs. Opgericht in 1776, verdwenen in 1790, rekruteerde ze een ander soort leden dan men in de burgerlijke of aristocratische loges vond. De tweehonderd vijftig leden die men van deze loge kent, waren voorlopers van de negentiende-eeuwse vrijmetselarij. Zij behoorden tot de literaire of wetenschappelijke kringen en tot diegenen die les Lumières, de Verlichting, propageerden. Bij hen weinig of geen godsdienstige gevoelens, ook al waren er enkele priesters onder de actieve leden, zoals de schrijvers Claude Cordier de Saint-Firmin (1743-1826), en Marc d’Espagnac (1743-1794), die kanunnik was van de Parijse kathedraal. Les Neuf Soeurs richtte haar belangstelling op kunsten en wetenschappen, zoals het de stichter, astronoom Jerôme de Lalande (1732-1807), gewild had en stichtte o.m. twee musea en een lyceum. Anderzijds nam ze de verdediging van onrechtvaardig veroordeelden op zich. In Les Neuf Soeurs werd Benjamin Franklin achtbare meester en werd de vierentachtigjarige Voltaire (1694-1778) enkele weken voor zijn dood plechtig geïntroniseerd in de vrijmetselarij, waarover hij nochtans schampere opmerkingen had gepubliceerd.
Vanaf 1787 was de revolutie onderweg. Iedereen voelde aan dat maatschappelijke evoluties onvermijdelijk waren, maar weinigen voorzagen dat in de eerstkomende tien jaar een zo grondige en bloedige revolutie plaats zou grijpen. Toen de echte revolutie zich ontwikkelde, waren de logebroeders er niet op voorbereid. Men had hun altijd ingeprent, dat zij gehoorzame en loyale onderdanen moesten zijn en het was zeker niet in hun kringen, dat de revolutionaire ideeën gemeengoed waren.
Veel vrijmetselaars sneuvelden onder de guillotine, velen vluchtten uit Frankrijk, nog méér hielden zich voorzichtig buiten alle politiek engagement. Slechts een kleine minderheid vond men terug onder de revolutiegezinden en dan nog meestal bij de Girondijnen of andere gematigde groepen.
Behalve onder de Terreur hielden de loges nooit op te functioneren, hoewel het dan toch maar in mineur was. Onder het Consulaat zouden ze een merkwaardige opstanding beleven. In 1799, na bloedige jaren die ook in de rangen van de vrijmetselaars zwaar hadden toegeslagen, besloten de Grand Orient de France en de Grande Loge de Clermont dat het tijd was om de grote verzoening te bewerkstelligen. Verenigd stapten ze de negentiende eeuw binnen. In de loop van de achttiende eeuw hadden ze allebei, en met hen nog andere obediënties, méér dan duizend loges opgericht of aanvaard. Ongeveer 50.000 Fransen hadden in de achttiende eeuw het maçonnieke Licht gezien.


bronvermelding: Andries Van den Abeele

Groot-nederland.org kan niet aansprakelijk gesteld worden voor de inhoud van deze website en eventueel onjuiste informatie op deze website. Alle hier aangeboden informatie wordt u aangeboden zonder enige garantie van correctheid, zowel in uitdrukking als in aanduiding.


Home Page | De Loge | Vrijmetselarij | Geschiedenis | Diversen | Links | Leden | Site Map


Back to content | Back to main menu